Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwamen aan te Regium; en alzoo, na eenen dag, de wind zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te Putéoli;

14 Alwaar wij broeders vonden, en werden gebeden, zeven dagen bij hen te blijven; en alzoo gingen wij naar Rome.

15 En van daar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt, en de drie tabernen; welke Paulus ziende, dankte hij God en greep moed.

16 En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan den 'overste des legers; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met den krijgsknecht, die hem bewaarde.

Hand. 24 : 23. 27 : 3.

17 En het geschiedde na drie dagen, dat Paulus samenriep degenen, die de voornaamsten der Joden waren. En als zij samengekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders! ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen;

Hand. 24 : 12. 25 : 8.

18 Dewelke, mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geene schuld des doods in mij was.

19 Maar als de Joden zulks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den Keizer te beroepen; doch niet, alsof ik iets had, mijn volk te beschuldigen.

20 Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israëls ben ik met deze keten omvangen.

Hand. 23 : 6. 24 : 21.

21 Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judéa ontvangen; noch iemand van de broeders, hier gekomen zijnde, heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken.

ren, kwamen wij te Rhegium; en wijl na één dag de Zuidenwind op stak, kwamen wij des anderen daags te Putéoli.

14 Daar vonden wij broeders, en werden gebeden zeven dagen bij hen te blijven; en alzoo kwamen wij te Rome.

15 En toen de broeders van ons hoorden, gingen zij van daar uit ons te gemoet, tot Forum Appii en de Drie Tabernen. Toen Paulus die zag, dankte hij God en greep moed.

16 Toen wij nu te Rome kwamen, leverde de hoofdman de gevangenen aan den overste der lijfwacht over; maar aan Paulus werd verlof gegeven op zichzelven te blijven met den krijgsknecht, die hem bewaakte. Hand. 28 : 30.

Paulus en de Joden te Rome.

17 En het geschiedde na drie dagen, dat Paulus de voornaamsten der Joden bijeenriep. Toen dezen nu te zamen kwamen, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ik heb niets gedaan tegen ons volk noch tegen de vaderlijke zeden, en ben nochtans gevangen uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen,

18 die mij, nadat zij mij verhoord hebben, wilden loslaten, omdat er geen schuld des doods in mij was.

Hand. 25 : 25.

19 Maar toen de Joden dit tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen, doch niet alsof ik iets had om mijn volk aan te klagen.

20 Om deze oorzaak heb ik u uitgenoodigd, om u te mogen zien en te spreken; want vanwege de hope van Israël ben ik in deze keten gesloten.

Hand. 23 : 6. 26 : 6, 7.

21 Zij nu zeiden tot hem: Wij hebben noch schrijven u aangaande uit Judéa ontvangen, noch is er iemand van de broeders hier gekomen, die van u iets kwaads bericht of gezegd heeft.

kwamen te Rhegium. Toen een dag later de wind zuid was geworden, bereikten wij op den tweeden dag Putéoli,

14 waar wij broeders vonden, die ons drongen zeven dagen bij hen te blijven. Zoo gingen wij naar Rome.

15 De broeders, die van ons gehoord hadden, kwamen ons van daar tegemoet tot Appius-markt en Drie-herbergen, en Paulus dankte God toen hij hen zag en vatte moed.

16 Toen wij te Rome waren gekomen, werd aan Paulus toegestaan op zichzelf te wonen, met den soldaat die hem bewaakte.

17 Na drie dagen riep hij de voornaamste der daar woonachtige Joden samen en zeide, toen zij bijeenwaren, tot hen: Broeders, zonder dat ik iets gedaan had tegen het volk of de voorvaderlijke zeden, ben ik uit Jeruzalem als gevangene aan de Romeinen overgeleverd.

18 Toen dezen mij verhoord hadden, wilden zij mij in vrijheid stellen, omdat ik niets gedaan had dat den dood verdiende.

19 Maar toen de Joden daartegen opkwamen, was ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen, zonderdat ik tegen mijn volk een beschuldiging wil inbrengen.

20 Ziedaar waarom ik verzocht heb u te zien en toe te spreken; want om de hoop van Israël ben ik met deze keten geboeid.

21 Zij antwoordden: Wij hebben geen schrijven over u uit Judea ontvangen; ook heeft niemand der hier gekomen broeders iets kwaads van u aangebracht of gezegd.

22 Maar wij begeeren wel van u te hooren, wat gij gevoelt; want wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt.

23 En als zij hem eenen dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijne woonplaats: denwelken hij het Koninkrijk Gods uitleide, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe.

Gen. 3 : 15. 22 : 18. 26 : 4. 49 : 10 Deut. 18 : 15. 2 Sam. 7 : 12. Ps. 132 : 11. Jes. 4 : 2. 7 : 14. 9 : 5. 40 : 10. Jer. 23 : 5. 33 : 14. Ezec. 34 : 23. 37 : 24. Dan. 9 : 24.

Micha 7 : 20.

24 En sommigen geloofden wel, hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet. Hand. 17 : 4.

25 En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ééne woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jes&ja, den profeet, tot onze vaderen,

22 Doch wij willen van u hooren wat uw gevoelen is; want van deze sekte is ons bekend, dat zij op alle plaatsen tegengesproken wordt.

23 En toen zij hem een dag bestemd hadden, kwamen er meerderen tot hem in zijne verblijfplaats, welken hij het rijk Gods uitlegde en betuigde, en hij bewees hun hetgeen hij van Jezus zeide uit de Wet van Mozes en uit de Profeten, van den morgen tot den avond.

Hand. 24 : 44.

24 En eenigen stemden toe hetgeen hij zeide, maar sommigen geloofden niet.

25 Toen zij nu met elkander oneens waren, gingen zij weg, nadat Paulus nog dit ééne woord gezegd had: Wèl heeft de Heilige Geest door den profeet Jesaja gesproken tot onze vaderen.

22 Wij verlangen dus van u te hooren wat uw denkbeelden zijn. Want van die partij weten wij dat zij overal weersproken wordt.

23 Zij stelden dus met hem een dag vast en kwamen toen in grooten getale in zijn verblijf; hij getuigde van het Koninkrijk Gods en legde het hun uit, van den morgen tot den avond hun uit de wet van Mozes en de Profeten de waarheid omtrent Jezus trachtend te bewijzen.

24 Sommigen geloofden wat gezegd werd, anderen waren ongeloovig;

25 en in oneenigheid gingen zij uiteen, toen Paulus dit éene gezegd had: Terecht heeft de Heilige Geest door den profeet Jezaja tot uw vaderen gesproken:

Sluiten