Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De verwerping van Israël zijn eigen schuld.

30 Welke gevolgtrekking zullen wij dan daaruit maken? Dit: dat heidenen die niet trachten naar gerechtigheid, haar verkregen hebben, gerechtigheid namelijk uit geloof;

31 maar dat Israël, hoewel het naar een wet trachtte welke gerechtigheid zou werken, deze wet niet heeft bereikt.

32 Waarom niet? Omdat het die niet zoekt uit het geloof, maar zoogenaamd uit de werken. Zij hebben zich gestooten aan den steen des aanstoots,

33 gelijk geschreven staat: Zie, ik leg in Zion een steen des aanstoots en een rots der ergernis; en: Wie daarop zijn geloof stelt, zal niet beschaamd worden.

Zij zochten verkeerd.

30 Wat zullen we daaruit besluiten? Dit! De heidenen, die niet naar de gerechtigheid hebben gestreefd, hebben de gerechtigheid verkregen, maar dan een gerechtigheid uit het geloof;

31 maar Israël heeft gestreefd naar een wèt der gerechtigheid, doch heeft die wet niet bereikt.

32 Waarom? Omdat het niet uit geloof geschiedde, maar uit kracht van de werken. Ze stieten zich aan de steen des aanstoots,

33 zoals er geschreven staat: ,,Zie Ik stel in Sion een steen des aanstoots, En een rotsblok van ergernis; En wie in Hem gelooft, Zal niet worden beschaamd."

Is. 8 : 14.

Het behoud der heidenen en de dwaling van Israël.

30 Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is;

31 doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen.

32 Waarom niet ? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan den steen des aanstoots,

33 gelijk geschreven staat: Zie Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.

Jes. 8 : 14. 28 : 16. Ps. 25 : 3. 1 Petr. 2 : 6.

1 Broeders, het is de diepste wensch van mijn hart, het is de inhoud van mijn voorbede tot God, dat zij mogen worden behouden.

2 Maar ik kan van hen getuigen, dat zij vol ijver zijn voor God, maar zonder de rechte kennis.

3 Immers, in hun onbekendheid met Gods gerechtigheid en in hun ijver om hun eigen gerechtigheid op te richten, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.

4 Want Christus is het einde der wet, zoodat de gerechtigheid verkregen wordt door ieder die gelooft.

5 Mozes schrijft namelijk van de gerechtigheid uit de wet: De mensch die haar doet, zal daardoor leven.

1 Broeders, de wens van mijn hart en mijn bede tot God zijn op hun redding gericht!

2 En ik moet van hen getuigen, dat ze ijver hebben voor God, maar niet aan het juiste inzicht gepaard.

3 Want daar ze de gerechtigheid Gods niet hebben begrepen, en een eigen gerechtigheid tot stand wilden brengen, hebben ze zich niet onderworpen aan de gerechtigheid Gods.

4 Immers Christus is het eind van de Wet, om te rechtvaardigen al wie gelooft.

5 Zeker, Moses schrijft, dat de mens, die de gerechtigheid der Wet onderhoudt, daarin zal leven.

1 Broeders, de begeerte mijns |0 harten en mijn gebed om hun behoud gaan tot God uit.

2 Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand.

3 Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.

De gerechtigheid uit het geloof,

4 Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.

5 Want Mozes schrijft: De mens, die de gerechtigheid naar de wet gedaan heeft, zal daardoor leven.

Lev. 18 : 5.

6 Doch de gerechtigheid uit geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: wie zal ten hemel opklimmen? (dat is: Christus naar beneden brengen) —

7 of: wie zal in den afgrond afdalen? (dat is: Christus uit de dooden naar boven brengen).

8 Maar wat zegt zij dan wel? Dit: Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart. Dat is het woord des geloofs, dat wij verkondigen:

9 Indien gij met uw mond Jezus belijdt als Heer, en met uw hart gelooft, dat God hem uit de dooden heeft opgewekt, zoo zult gij behouden worden.

10 Want met het hart gelooft men en wordt gerechtvaardigd, en met den mond belijdt men en wordt behouden.

11 Immers het Schriftwoord zegt: Een ieder die op hem zijn geloof stelt, zal niet beschaamd worden.

12 Want er is geen onderscheid tusschen Jood en Griek: een en dezelfde is Heer over allen, zijn rijkdom uitstortende over allen die hem aanroepen; want:

6 Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: ,,Zeg niet in uw hart: wie zal opstijgen ten hemel, om Christus namelijk te doen afkomen;

7 of wie zal naar de afgrond dalen, om Christus te doen opstijgen uit de doden."

8 Neen, wat zegt ze? „Dicht bij u is het woord, in uw mond en in uw hart; en dit is het woord des geloofs, dat wij preken. —

9 Welnu, wanneer ge belijdt met uw mond, dat Jesus de i-Ieer is, en gelooft met uw hart, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, dan zult ge worden gered;

10 want men gelooft met het hart ter rechtvaardiging, en men belijdt met de mond ter redding.

11 De Schrift immers zegt: ,,A1 wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd komen te staan."

Is. 28 : 16.

12 Neen, er bestaat geen onderscheid tussen jood en griek; Hij toch is dezelfde Heer voor allen; riik voor allen, die Hem aanroepen;

6 Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen ? namelijk om Christus te doen afdalen;

Deut. 30 : 11, 12.

7 of: Wie zal in den afgrond nederdalen? namelijk om Christus van de doden te doen opkomen.

8 Maar wat zegt zij ? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken.

Deut. 30 : 14.

9 Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden;

10 want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met den mond belijdt men tot behoudenis.

11 Immers de Schrift zegt: Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.

Ps. 25 : 3. Jes. 28 : 16. Rom. 9 : 33.

12 Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, een en dezelfde is Heer over allen, riik voor allen, die Hem aanroepen;

Sluiten