is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20 En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.

Ps. 94 :11.

21 Niemand dan roeme op menschen; want alles is uwe.

22 Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.

23 Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.

Waarschuwing tegen hoogmoed. 4 1 Alzoo houde ons een ieder mensch, als dienaars van Christus, en uitdeelers der verborgenheden Gods.

Matt. 24 : 45. 2 Kor. 6 : 4. Kol. 1 : 25. Tit. 1 : 7.

2 En voorts wordt in de uitdeelers vereischt, dat elk getrouw bevonden worde.

Luk. 12 : 42.

3 Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menschelijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet.

4 Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar die mij oordeelt, is de Heere.

Ex. 34 : 7. Job 9 : 2. Ps. 143 : 2.

5 Zoo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.

Matt. 7 : 1. Rom. 2 : 1. Dan. 7 : 10. Openb. 20 : 12.

6 En deze dingen, broeders! heb ik op mijzelven en Apollos bij gelijkenis gepast, om uwentwil; opdat gij aan ons zoudt leeren, niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de een om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen den ander.

Spr. 3 : 7. Rom. 12 : 3.

7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zoo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?

Joh. 3 : 27. Jakob. 1 : 17.

8 Aireede zijt gij verzadigd, aireede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerscht; en och, of gij heerschtet, opdat ook wij met u heerschen mochten!

20 en wederom: „De Heer kent de gedachten der wijzen, dat ze ijdel zijn".

21 Daarom beroeme zich niemand op menschen; het is alles het uwe:

22 hetzij Paulus of Apollos, hetzij Céfas, hetzij de wereld, hetzij leven of dood, hetzij het tegenwoordige of het toekomende, het is alles het uwe;

23 maar gij zijt van Christus, en Christus van God.

1 Cor. 11 : 3. Efez. 1 : 17.

Waarschuwing tegen opgeblazenheid. 1 Daarvoor houde ons een ieder, namelijk voor Christus' dienaars en huishouders over Gods verborgenheden.

2 Nu zoekt men niet meer aan de huishouders, dan dat zij getrouw bevonden worden.

3 Haar het is mij iets gerings, dat ik door u geoordeeld worde, of door een menschelijk gericht; ook oordeel ik mijzelven niet.

4 Ik ben mij wel niets bewust, doch daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; maar de Heer is het, die mij oordeelt.

5 Daarom oordeelt niet vóór den tijd, totdat de Heer komt, die ook aan het licht zal brengen wat in het duister verborgen is, en de overleggingen der harten openbaren: alsdan zal aan ieder van God lof wedervaren.

6 Dit nu, broeders, heb ik op mijzelven en Apollos toegepast om uwentwil, opdat gij aan ons zoudt leeren, dat niemand hooger over zichzelven denke dan hetgeen geschreven is; opdat niet de een tegen den ander zich om iemands wil opblaze.

Rom. 12 : 3.

7 Want wie heeft u voorgetrokken? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En zoo gij het ontvangen hebt, wat beroemt gij u dan, alsof gij het niet ontvangen hadt?

8 Gij zijt alreeds verzadigd, gij zijt alreeds rijk geworden, gij heerscht zonder ons; en och, dat gij heerschtet, opdat ook wij met u heerschen mochten!

20 en elders: De Heer weet dat de overleggingen der wijzen ijdel zijn.

21 Niemand roeme dus op menschen; want alles is het uwe:

22 Paulus, Apollos, Kefas, wereld, leven, dood, heden en toekomst — alles behoort u toe;

23 maar gij behoort aan Christus en Christus aan God.

1 Derhalve beschouwe men ons als dienaren van Christus en beheerders van Gods geheime raadsbesluiten.

2 Voorts, van beheerders wordt niets anders geëischt dan dat zij getrouw worden bevonden.

3 Mij nu gaat het zeer weinig aan, of ik door u of door eenig menschelijk gericht beoordeeld word. Ja, ik beoordeel ook mijzelf niet.

4 Immers, ik ben mij wel geen kwaad bewust; maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; wie mij oordeelt is de Heer.

5 Oordeelt dus niet voorbarig, niet voordat de Heer komt, die wat in duisternis verborgen is zal aan het licht brengen en wat in de harten omgaat openbaar maken; dan zal ieder den lof die hem toekomt van God ontvangen.

Toepassing.

6 Dit heb ik, broeders, toegepast op mijzelf en Apollos om uwentwil; opdat gij aan ons zoudt leeren: niet boven wat geschreven staat — opdat niemand uwer zich ten voordeele van een ander opblaze tegen een derde.

7 Want wie geeft u dien voorrang ? En wat bezit gij dat gij niet hebt gekregen? En indien het iets is dat gij gekregen hebt, wat beroemt gij u dan alsof het geen geschenk was?

8 Welzeker, gij zijt verzadigd; gij zijt rijk; buiten ons om heerscht gij! Och of gij heerschtet; opdat wij uw heerschappij mochten deelen!

9 Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den menschen.

Ps. 44 : 23. Rom. 8 : 36. 2 Kor. 4 :11. Hebr. 10 : 33.

10 Wij zijn dwazen om Christus' wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterken; gij zijt heerlijken; maar wij verachten.

1 Kor. 2 : 3.

11 Tot op deze tegenwoordige ure

9 Want ik acht, dat God ons, apostelen, als de allergeringsten heeft gesteld, als tot den dood bestemd; want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor de engelen en de menschen.

10 Wij zijn dwaas om Christus' wil, maar gij zijt wijs in Christus; wij zwak, maar gij sterk; gij in eere, maar wij veracht.

11 Tot op deze ure lijden wij hon-

9 Want mij dunkt, God heeft ons, apostelen, op de laagste plaats gezet, als ter dood veroordeelden; immers, wij zijn een droevig schouwspel geworden voor wereld, engelen en menschen.

10 Wij zijn dwaas voor Christus' zaak, gij zijt verstandig in Christus; wij zwak, gij sterk, gij beroemd, wij roemloos.

11 Tot heden toe lijden wij honger