is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35 Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de dooden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?

Ezec. 37 : 3.

36 Gij dwaas! hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;

Joh. 12 : 24.

37 En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van eenig der andere granen.

38 Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.

39 Alle vleesch is niet hetzelfde vleesch; maar een ander is het vleesch der menschen, en een ander is het vleesch der beesten, en een ander der visschen, en een ander der vogelen.

40 En er zijn hemelsche lichamen, en er zijn aardsche lichamen; maar eene andere is de heerlijkheid der hemelsche, en eene andere der aardsche.

41 Eene andere is de heerlijkheid der zon, en eene andere is de heerlijkheid der maan, en eene andere is de heerlijkheid der sterren; want de eene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.

42 Alzoo zal ook de opstanding der dooden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;

Dan. 12 : 3. Matt. 13 : 43.

43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.

44 Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.

45 Alzoo is er ook geschreven: De eerste mensch Adam is geworden tot eene levende ziel; de laatste Adam tot eenen levendmakenden Geest. Gen. 2 : 7.

46 Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.

47 De eerste mensch is uit de aarde, aardsch; de tweede Mensch is de Heere uit den Hemel.

48 Hoedanig de aardsche is, zoodanige zijn ook de aardschen; en hoedanig de Hemelsche is, zoodanige zijn ook de hemelschen.

49 En gelijkerwijs wij het beeld der aardschen gedragen hebben, alzoo zullen wij ook het beeld des Hemelschen dragen.

2 Kor. 4 : 11.

50 Doch dit zeg ik, broeders! dat vleesch en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.

Joh. l : 13.

51 Ziet, ik zeg u eene verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;

1 Thess. 4 : 16.

52 In een punt des tijds, in een oogenblik, met de laatste bazuin;

35 Maar iemand mocht zeggen: Hoe zullen de dooden opstaan, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?

36 Gij dwaas, hetgeen gij zaait wordt niet levend, tenzij dat het sterve;

37 en hetgeen gij zaait is immers het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloote korrel, namelijk van tarwe of eenig ander graan;

38 maar God geeft daaraan een lichaam, gelijk Hij wil, en aan ieder zaad zijn eigen lichaam.

39 Niet alle vleesch is hetzelfde vleesch; maar een ander is het vleesch der menschen, een ander der dieren, een ander der visschen, een ander der vogels;

40 en er zijn hemelsche lichamen en aardsche lichamen, maar eene andere heerlijkheid hebben de hemelsche, eene andere de aardsche.

41 Eene andere heerlijkheid heeft de zon, eene andere heerlijkheid heeft de maan, eene andere heerlijkheid hebben de sterren; want de ééne ster gaat de andere te boven in heerlijkheid.

42 Alzoo zal ook de opstanding der dooden zijn. Het wordt gezaaid vergankelijk, en zal opstaan onvergankelijk;

43 het wordt gezaaid in oneer, en zal opstaan in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, en zal opstaan in kracht;

44 het wordt gezaaid als een natuurlijk lichaam, en zal opstaan als een geestelijk lichaam. Is er een natuurlijk lichaam, dan is er ook een geestelijk lichaam.

45 Zoo staat er ook geschreven: De eerste mensch, Adam, „is geworden tot eene levende ziel", de laatste Adam tot een levendmakenden geest. Gen. 2 : 7.

46 Doch het geestelijke lichaam is niet het eerste, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.

47 De eerste mensch is van de aarde en aardsch. de andere mensch is van den hemel.

48 Hoedanig de aardsche is, zoodanig zijn ook de aardschen en hoedanig de hemelsche is, zoodanig zijn ook de hemelschen;

49 en gelijk wij het beeld des aardschen gedragen hebben, alzoo zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen.

50 Doch dit zeg ik, broeders, dat vleesch en bloed het rijk Gods niet kunnen beërven, ook zal het vergankelijke het onvergankelijke niet beërven.

51 Zie, ik zeg u eene verborgenheid: wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,

Thess. 4 : 15—17.

52 en dat plotseling, in een oogenblik, ten tijde der laatste bazuin;

Hoe worden de dooden opgewekt ?

35 Maar deze of gene zal zeggen: Hoe worden de dooden opgewekt? Met welk lichaam komen zij te voorschijn?

36 Gij dwaas, ook wat gij zaait wordt niet weer levend indien het niet gestorven is;

37 en wat gij zaait is niet het lichaam dat geboren zal worden, maar louter een korrel, naar het valt, van graan of iets anders,

38 en God geeft daaraan een lichaam, naardat het Hem goeddunkt, en wel aan elk zaad een eigen lichaam.

39 Niet ieder vleesch is hetzelfde; maar er is menschen- en dierenvleesch, vogelen- en visschenvleesch.

40 Zoo ook hemelsche lichamen en aardsche; maar de heerlijkheid der hemelsche is een andere dan die der aardsche.

41 Verschillend is de heerlijkheid der zon van die der maan en van die der sterren; want de eene ster verschilt in heerlijkheid met de andere.

42 Zoo is het ook met de opstanding der dooden. Iets vergankelijks wordt gezaaid, iets onvergankelijks wordt opgewekt;

43 iets onaanzienlijks wordt gezaaid, iets heerlijks wordt opgewekt; iets zwaks wordt gezaaid, iets krachtigs wordt opgewekt;

44 een zielelichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt. Zoowaar een zielelichaam bestaat, zoowaar ook een geestelijk.

45 Zoo staat ook geschreven: De eerste mensch Adam werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest.

46 Doch niet het geestelijke gaat vooraf, maar het natuurlijke; daarna komt het geestelijke.

47 De eerste mensch is uit de aarde aardsch, de tweede mensch is uit den hemel.

48 Zooals de aardsche is, zijn ook de aardschen, en zooals de hemelsche is, zijn ook de hemelschen;

49 gelijk wij het beeld van den aardschen gedragen hebben, zullen wij ook het beeld van den hemelschen dragen.

50 Dit bedoel ik, broeders, dat vleesch en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, noch het vergankelijke de onvergankelijkheid.

51 Zie, ik leer u een heilsgeheim: wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,

52 in een ondeelbaar oogenblik, bij het laatste bazuingeschal; want