Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.

want wat zichtbaar is, is tijdelijk, maar wat onzichtbaar is, is eeuwig.

bare, want het zichtbare is tijdelijk, het onzichtbare eeuwig.

Het verlangen naar den hemel. 5 1 Want wij weten, dat, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.

2 Kor. 4 : 7.

2 Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden.

Rom. 8 : 23.

3 Zoo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden.

Openb. 3 : 18. 16 : 15.

4 Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.

Rom. 8 : 11.1 Kor. 15 : 53.

5 Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft.

Rom. 8 : 16. 2 Kor. 1 : 22. Efez. 1 : 13. 4 : 30.

6 Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere;

7 (Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen).

1 Kor. 13 : 12. 2 Kor. 3 : 18.

8 Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij den Heere in te wonen.

9 Daarom zijn wij ook zeer begeerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehageliik te zijn.

10 Want wii allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

Matt. 25 : 32. Rom. 14 : 10. Ps. 62 : 13. Jer. 17 : 10. 32 : 19. Matt. 16 : 27. Rom. 2 : 6. 14 : 12. 1 Kor. 3 : 8. Gal. 6 : 5. Openb. 2 : 23. 22 : 12.

De verzoening door Christus.

11 Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de menschen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uwe gewetens geopenbaard te zijn.

1 Want wij weten, dat, als het aardsche huis onzer hut verbroken wordt, wij een gebouw hebben, door God gebouwd, een huis niet met handen gemaakt, maar dat eeuwig is in den hemel.

Rom. 8 : 23.

2 En hierin zuchten wij ook, verlangende naar onze woning die van den hemel is, om daarmede overkleed te worden,

3 indien wij tenminste bekleed en niet naakt zullen bevonden worden.

4 Want, ook terwijl wij in deze hut zijn, zuchten wij en zijn bezwaard, nademaal wij liever niet ontkleed maar overkleed wilden worden, opdat het sterfelijke verslonden werd door het leven.

1 Cor. 15 : 53.

5 Hij nu, die ons daartoe bereidt, is God, die ons ook het onderpand, den Geest, gegeven heeft.

Efez. l : 13,14.

6 Wij zijn dan altijd welgemoed, en weten, dat, terwijl wij in het lichaam inwonen, wij uitwonen van den Heer;

7 want wij wandelen door geloof, en niet door aanschouwen.

8 Maar wij zijn welgemoed, en hebben veel meer lust uit het lichaam uit te wonen, en te huis te zijn bij den Heer.

Pil. l : 23.

9 Daarom benaarstigen wij ons ook, hetzij wij tehuis zijn of uitwonen, dat wij hem behagen.

10 Want wij moeten allen geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat elk ontvange naardat hij gedaan heeft in het lichaam, hetzij goed, hetzij kwaad.

Rom. 14 : 10.

Het ambt der verzoening. 11 Dewijl wij dan weten, dat de Heer te vreezen is, zoo trachten wij de menschen te gewinnen, maar voor God zijn wij geopenbaard; en ik hoop, dat wij ook in uw geweten geopenbaard zijn.

1 Wij weten immers dat wij, wanneer onze aardsche tentwoning wordt afgebroken, van Godswege een gebouw hebben, een niet met handen gemaakt, een eeuwig huis in de hemelen.

2 Vandaar dat wij, terwijl wij nog in die woning zijn, zuchten van verlangen met onze hemelsche woning bekleed te worden,

3 al zullen wij ook bij die bekleeding niet naakt staan.

4 Want wij die in de tentwoning leven, wij zuchten zwaar, omdat wij niet willen ontkleed worden, maar een overkleed aandoen; opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden.

5 Hij die ons hiertoe bereidt is God, die ons het onderpand des Geestes heeft gegeven.

6 Daarom hebben wij steeds goeden moed, al weten wij dat zoolang wij in het lichaam ons tehuis hebben wij niet thuis zijn bij den Heer;

7 immers, wij leven in geloof, niet in aanschouwing,

8 maar hebben goeden moed en geven er de voorkeur aan uit het lichaam te verhuizen en bij den Heer te gaan wonen.

9 Daarom stellen wij er onze eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, hem te behagen.

10 Wij allen toch moeten voor den rechterstoel van Christus verschijnen om allen ons deel te bekomen, naardat wij, in onzen lichamelijken toestand gedaan hebben hetzij goed, hetzij kwaad.

Laat u met God verzoenen! 11 Daar wij dus weten wat het is den Heer te vreezen, overreden wij de menschen, en God weet wie wij zijn; ik hoop trouwens ook dat gij in uw geweten ons kent.

12 Want wij prijzen onszelven u niet wederom aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij stof zoudt hebben tegen degenen, die in het aangezicht roemen en niet in het hart.

2 Kor. 3 : 1. 10 : 8.

13 Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode; hetzij dat wii gematigd van zinnen ziin. wii zijn het ulieden.

12 Doch wij prijzen onszelve niet wederom, maar geven u gelegenheid om te roemen op ons, opdat gij zoudt hebben te roemen tegen degenen, die zichzelve naar het aanzien roemen en niet naar het hart.

2 Cor. 3 : 1.

13 Want zijn wij uitzinnig, wij zijn het Gode; zijn wij goed bij ons verstand, wij zijn het ulieden.

12 Neen, wij gaan onszelf niet weer bij u aanbevelen, maar wij geven u gelegenheid u op ons të beroemen; opdat gij iets te zeggen moogt hebben tegenover hen die roemen op uitwendige voorrechten en niet op het hart.

13 Want zijn wij buiten onze zinnen, het is ter eere Gods; zijn wij goed bij ons verstand, het is te uwen bate.

Sluiten