Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32 De stadhouder van den koning Arétas in Damaskus, bezette de stad der Damaskenen, willende mij vangen;

Hand. 9 : 24.

33 En ik werd door een venster in eene mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijnen handen,

Het hemelsche gezicht en de doom in het vleesch. 12 i Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren.

2 Ik ken een mensch in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zoodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel;

Hand. 9 : 3. 22 : 17. 1 Kor. 15 : 8.

3 En ik ken een zoodanig mensch (of het in het lichaam, of buiten het lichaam geschied zij; weet ik niet, God weet het),

4 Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het eenen mensch niet geoorloofd is te spreken.

5 Van den zoodanige zal ik roemen, doch van mijzelven zal ik niet roemen, dan in mijne zwakheden.

6 Want zoo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houde daarvan af, opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort.

7 En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, namelijk een engel des Satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.

Job 2 : 6.

8 Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken.

9 En Hij heeft tot mij gezegd: Mijne genade is u genoeg; want Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht. Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.

10 Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in nooden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

32 Te Damaskus liet de landvoogd van den koning Aretas de stad der Damasceners bewaken en wilde mij grijpen;

Hand. 9 : 24, 25.

33 en ik werd in een mand uit het venster door den muur negergelaten, en ontkwam uit zijne handen.

1 Het roemen is mij wel niet nut; echter wil ik komen op de gezichten en openbaringen des Heeren.

2 Ik ken een mensch in Christus, vóór veertien jaren, — of het in het lichaam was, weet ik niet, of buiten het lichaam weet ik ook niet, God weet het, — deze werd opgevoerd tot in den derden hemel.

3 En ik ken dezen mensch, — of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het —,

4 hij werd opgevoerd in het Paradijs, en hoorde onuitsprekelijke woorden, die geen mensch zeggen kan.

5 Daarop wil ik mij beroemen, maar van mijzelven wil ik mij niet beroemen dan op mijne zwakheid.

2 Cor. 11 : 30.

6 En al wilde ik mij beroemen, zoo handelde ik daarom niet dwaas, want ik zou de waarheid zeggen; maar ik onthoud mij daarvan, opdat niemand mij hooger achte dan hij aan mij ziet of van mij hoort.

7 En opdat ik mij wegens de hooge openbaringen niet zou verheffen, zoo is mij gegeven een doorn in het vleesch, namelijk des satans Engel, om mij met vuisten te slaan; opdat ik mij niet zou verheffen.

8 Waarover ik den Heer driemaal gesmeekt heb, dat hij van mij zou wijken;

9 en hij heeft mij gezegd: Laat mijne genade u genoeg zijn, want mijne kracht is in de zwakken machtig. Derhalve wil ik mij liever beroemen op mijne zwakheid, opdat de kracht van Christus in mij wone.

10 Daarom ben ik welgemoed in zwakheden, in mishandelingen, in nooden, in vervolgingen, in angsten, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik sterk.

32 in Damaskus liet eens de stadhouder van koning Aretas de stad der Damasceners bewaken om mij te vatten,

33 en ik werd in een mand door een venster in den muur neergelaten en ontkwam hem zoo.

Paulus beroemt zich op gezichten en openbaringen. De doom in het vleesch. „Wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk."

1 Moet ik mij beroemen, al is het niet nuttig, dan kom ik nu tot gezichten en openbaringen des Heeren.

2 Ik ben een Christenmensch die veertien jaar geleden — of het in het lichaam geschied is of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het — weggevoerd is tot in den derden hemel.

3 Ik weet van dien man dat hij — in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het —

4 dat hij weggevoerd is naar het Paradijs en daar onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, woorden die een mensch niet mag nazeggen.

5 Over zoo een zal ik roemen, over mijzelf zal ik het niet doen dan in mijn zwakheden.

6 Want wilde ik mij beroemen, ik zou geen dwaas zijn, maar de waarheid zeggen; echter onthoud ik mij er van, opdat niemand hooger van mij denke dan hij van mij ziet of hoort

7 en waarop de groote openbaringen recht geven. Daarom, opdat ik mij niet te zeer verheffen zou, is mij een doorn in het vleesch gegeven, een Satansengel om mij vuistslagen te geven — opdat ik mij niet te zeer zou verheffen.

8 Daarover heb ik driemaal den Heer aangeroepen, met de bede dat die van mij mocht wijken.

9 En hij heeft mij gezegd: Mijn genade is voor u genoeg; want mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Liefst zal ik dan veeleer roemen in die zwakheden; opdat de kracht van Christus in mij zijn intrek neme.

10 Daarom heb ik welgevallen in zwakheden, mishandelingen, nooden, vervolgingen en benauwdheden om Christus' wil; want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk.

Paulus verdedigt zich tegen verdenking.

11 Ik ben roemende onwijs geworden; gij hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben.

1 Kor. 15 : 10.

12 De merkteekenen van eenen apostel zijn onder u betoond in

Niet gerust over de gemeente.

11 Ik ben een dwaas geworden door het roemen; gij hebt mij daartoe gedwongen. Want ik behoorde door u geprezen te worden, dewijl ik niets minder ben dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben. ï cor. 9 : 2.

12 Want de merkteekenen eens apostels zijn immers onder u be-

11 Een dwaas ben ik geworden; gij hebt mij er toe gedwongen. Want ik moest eer door u aanbevolen worden. Immers, ik sta in niets achter bij die heel groote apostelen, al ben ik ook niets.

12 Alles toch waaraan een apostel herkend wordt is onder u met

Sluiten