Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.

De barmhartige en getrouwe Hoogepriester. 5 Want Hij heeft de toekomende wereld, van welke wij spreken, den Engelen niet onderdanig gemaakt.

5 Immers, Hij heeft de toekomende wereld, waarvan wij spreken, niet aan de engelen onderworpen.

6 Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de menseh, dat Gij zijner gedenkt, of des menschen zoon, dat Gij hem bezoekt! Ps. 8 : 5.

7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen;

8 Alle dingen hebt Gij onder zijne voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;

Ps. 8 : 7. Matt. 28 : 18. 1 Kor. 15 : 27. Efez. 1 : 22.

9 Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou.

Hand. 2 : 33. Filipp. 2 : 7, 8.

10 Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.

11 Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen, Hand. 17 : 26.

12 Zeggende: Ik zal Uwen naam Mijnen broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen. Ps. 22 : 23.

13 En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Zie daar Ik, en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.

Ps. 18 : 13. Jes. 8 : 18.

14 Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;

Joh. 1 : 14. Filipp. 2 : 7. Jes. 25 : 8. Hos. 13 : 14. 1 Kor. 15 : 54. 2 Tim. 1 : 10.

15 En verlossen zou al degenen, die met vreeze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren. Rom. 8 : 15.

16 Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.

17 Waarom Hij in alles den broederen moet gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hoogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.

Filipp. 2 : 7. Hebr. 4 : 15.

18 Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.

Hebr. 4 : 15. 16.

6 Maar iemand betuigt ergens, zeggende: „Wat is de mensch, dat Gij aan hem gedenkt, en des menschen zoon, dat Gij hem bezoekt!

Ps. 8 : 5—7.

7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen, met eer en heerlijkheid hebt Gij hem gekroond, en hebt hem gesteld over de werken uwer handen;

8 alles hebt Gij onder zijne voeten onderworpen". Want daarin, dat Hij hem alles onderdanig gemaakt heeft, heeft Hij niets overgelaten, dat hem niet onderdanig gemaakt is; maar nu zien wij nog niet, dat hem alles onderdanig gemaakt is.

1 Cor. 15 : 27.

9 Maar hem, die een weinig minder gemaakt is dan de Engelen, namelijk Jezus, zien wij door het lijden des doods gekroond met eer en heerlijkheid, opdat hij door Gods genade voor allen den dood zou smaken.

Fil. 2 : 7—9.

10 Want het betaamde Hem, om wiens wil alle dingen zijn en door wien alle dingen zijn, dewijl Hij vele kinderen tot de heerlijkheid heeft geleid, den bewerker hunner zaligheid door lijden volkomen te maken.

11 Want èn die heiligt, èn die geheiligd worden zijn allen uit éénen; waarom hij zich ook niet schaamt hen broeders te noemen,

12 zeggende: „Ik zal uwen naam mijnen broederen verkondigen, en midden in de gemeente zal ik U lofzingen"; Ps. 22 : 23.

13 en wederom: „Ik wil mijn vertrouwen op Hem stellen"; en wederom: „Ziehier, ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft".

2 Sam. 22 : 3. Jes. 8 : 17, 18.

14 Dewijl nu de kinderen vleesch en bloed hebben, zoo is hij dat gelijkerwijze deelachtig geworden, opdat hij door den dood de macht zou ontnemen aan dengene, die het geweld des doods had, dat is de duivel,

15 en verlossen zou degenen, die door vrees des doods gedurende hun geheele leven der dienstbaarheid onderworpen waren.

16 Want hij neemt nergens de Engelen aan, maar het zaad van Abraham neemt hij aan.

17 Daarom moest hij in alle dingen zijnen broederen gelijk worden, opdat hij een barmhartig en getrouw hoogepriester voor God zou worden, om de zonden des volks te verzoenen.

Hebr. 4 : 15, 16.

18 Want daar hij zelf verzocht is geworden in hetgeen hij geleden heeft, kan hij helpen degenen die verzocht worden.

6 Iemand toch heeft ergens getuigd: Wat is de mensch dat Gij zijner gedenkt, of de menschenzoon dat Gij naar hem omziet?

7 Gij maaktet hem een korten tijd minder dan de engelen, kroondet hem met heerlijkheid en eer;

8 alles onderwierpt Gij aan zijn voeten. — Immers, bij dat onderwerpen van alles aan hem heeft Hij geen uitzondering gemaakt. Doch nu zien wij nog niet dat alles aan hem onderworpen is;

9 maar wij zien Jezus, die een korten tijd minder dan de engelen gemaakt is, wegens zijn doodslijden met heerlijkheid en eer gekroond; opdat hij door Gods genade voor iedereen sterven zou.

10 Want het betaamde Hem om wien en door wien alles bestaat, nu Hij veel zonen tot heerlijkheid bracht, hun leidsman ter redding door lijden te volmaken.

11 Immers, hrj die heiligt en zij die geheiligd worden stammen allen van Eénen af. Daarom schaamt hij zich niet hen broeders te noemen;

12 wat hij doet in het woord: Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente U bezingen —

13 en elders: Ik, ja ik, zal mijn vertrouwen op Hem stellen — en elders: Hier ben ik en de kinderen die God mij gegeven heeft. —

14 Want daar de kinderen vleesch en bloed deelachtig zijn, heeft hij desgelijks daaraan deel gehad; opdat hij door zijn dood zou vernietigen dengene die over den dood te gebieden had, namelijk den Duivel,

15 en allen verlossen die door de vrees voor den dood hun leven lang in slavernij verkeerden.

16 Want hij trekt zich immers het lot der engelen niet aan, maar wel het lot van Abrahams kroost.

17 Daarom moest hij in alles aan zijn broeders gelijk worden; opdat hij een barmhartig en getrouw hoogepriester zou zijn bij God, tot verzoening van de zonden des volks.

18 Want daar hijzelf in verzoeking is gekomen door zijn lijden, kan hij ook helpen hen die in verzoeking zijn.

Sluiten