Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

;;; gepriester hebben, die de hemelen i is doorgegaan, Jezus, den Zoon t Gods, zoo laten wij vasthouden eï aan de belijdenis.

is doorgedrongen, Jesus, den Zoon van God, zo laat ons vasthouden aan de belijdenis.

is doorgegaan, Jezus, den Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden.

15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, doch een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, maar zonder te zondigen.

ï 15 Want wij hebben niet een i hoogepriester, die niet in staat i: zou zijn, met onze zwakheden i mede te lijden, maar een, die in i; alle opzichten op gelijke wijze is ■ verzocht geweest — zonder zonde.

15 Want we hebben geen Hogepriester, die onze zwakheden niet meevoelen kan, maar Eén, die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij, behoudens de zonde.

16 Laten wij dan met blij vertrouwen ons wenden tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen ontvangen en genade mo:; gen vinden tot tijdige hulp.

16 Laat ons dus met vertrouwen opgaan tot de troon der genade, om barmhartigheid te verkrijgen, en genade te vinden tot tijdige hulp.

16 Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te rechter tijd.

1 Want elke hoogepriester die uit i menschen wordt genomen, wordt

ter wille van menschen aangesteld, om hun verhouding tot God, opdat hij zoowel bloedige als on' bloedige gaven zal offeren, om der zonden wil,

2 als een die billijk kan zijn voor i onwetenden en dwalenden, daar i ook hij met zwakheid behept is,

i 3 en wegens die zwakheid zoowel ' voor het volk als voor zichzelf, < om der zonden wil, offeren moet.

4 En niemand neemt die eer eigenmachtig, maar [alleen als hij] door God geroepen [is], gelijk ook Aaron.

5 Zoo heeft ook Christus zich niet ; eigenmachtig verheerlijkt tot het i hoogepriesterschap, maar Hij . heeft het gedaan, die tot hem ge, zegd heeft: Mijn zoon zijt gij, ik

heb u heden verwekt;

6 gelijk Hij ook elders zegt: Gij zijt priester in eeuwigheid, naar

i de ordening van Melchisédek.

7 Hij heeft in de dagen van zijn ; aardsch bestaan tot Hem die van ! den dood kon redden, luid roepend i en weenend, gebeden en smeekinI gen geofferd en is vanwege zijn : godsvrucht verhoord;

i 8 en, hoewel hij Zoon was, heeft i hij de gehoorzaamheid geleerd uit i hetgeen hij heeft geleden;

I 9 en na volmaking is hij voor i allen die hem gehoorzamen, oor: zaak van eeuwig heil geworden,

10 door God geroepen tot hoogepriester „naar de ordening van Melchisédek."

Opwekking tot standvastigen ijver.

11 Over hem hadden wij veel te zeggen, dat moeilijk uit te leggen is, daar gij zoo hardleersch zijt.

12 Want ofschoon gij, naar den tijd geoordeeld, zelfs leeraars behoordet te zijn, hebt gij wederom van noode, dat men u de aanvangsgronden van de openbaringen Gods leert; en onder u heeft zich weer behoefte aan melk ver-

: toond in plaats van aan vaste spijs.

1 Want iedere hogepriester wordt uit de kring der mensen genomen, en ten bate der mensen aangesteld voor hun betrekkingen tot God, om gaven en offers te brengen voor de zonden.

2 Hij moet in staat wezen, toegeeflijk te zijn voor onwetenden en dwalenden, omdat hij zelf met zwakheid omkleed is,

3 en daarom zondeoffers moet brengen zowel voor het volk, als voor zichzelf.

4 En niemand neemt de waardigheid uit zichzelf, maar door roeping van God, zoals ook Aaron.

5 Zo ook heeft Christus Zichzelf de eer niet toegeëigend, Hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem heeft gesproken: „Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt,"

Ps. 2 : 7.

6 zoals Hij dan ook op een andere plaats heeft gezegd: „Gij zijt Priester voor eeuwig, Naar de Orde van Melkisedek."

Ps. 110 (109) : 8.

7 En ofschoon Hij in de dagen van zijn Vlees, onder luid geroep en tranen, gebeden en smekingen heeft opgestierd tot Dengene, die Hem van de dood kon redden; ofschoon Hij verhoord werd terwille van zijn godvrezendheid;

8 ofschoon Hij bovendien zelfs de Zoon was, heeft Hij toch ,door zijn lijden de gehoorzaamheid geleerd,

9 en is Hij na zijn verheerlijking de oorzaak van eeuwige zaligheid geworden voor allen, die Hem gehoorzaam zijn;

10 daar Hij door God was uitgeroepen tot „Hogepriester naar de Orde van Melkisedek".

Waarom, deze diepzinnige leer behandeld?

11 Over dit onderwerp hebben we veel te zeggen, en de uitleg is moeilijk, omdat gij hardhorend zijt geworden.

12 Of is het soms nog nodig, dat men u de eerste beginselen van Gods woorden gaat leren, terwijl gij toch, de tijd in aanmerking genomen, reeds leermeesters moest zijn; hebt gij soms nog behoefte aan melk, niet aan vaste spijs?

1 Want elke hogepriester, die uit c de mensen genomen wordt, treedt voor de mensen op bij God, om gaven en offers te brengen voor de zonden.

2 Hij kan tegemoetkomend zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is,

3 die hem verplicht evenzeer als voor het volk, voor zichzelf zondoffers te brengen.

4 En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt er toe geroepen door God, zoals immers ook Aaron.

5 Zo heeft ook Christus zichzelf niet de eer toegekend hogepriester te worden, doch Hij, die tot Hem sprak: Mijn Zoon zijt Gij, heden heb Ik U verwekt;

Ps.2 : 7.

6 zoals Hij ook op een andere plaats spreekt: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizédek.

Ps. 110 : 4.

7 Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit den dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst,

8 en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden,

9 en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden,

10 door God aangesproken als hogepriester naar de ordening van Melchizédek.

Waarschuwing tegen verachtering.

11 Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen.

12 Want hoewel gij, naar den tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs.

Sluiten