Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8 Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars! en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!

Jes. 1 : 15.

9 Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uwe blijdschap in bedroefdheid.

Matt. 5 : 4.

10 Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhoogen.

Job 22 : 29. Spr. 29 : 23. Matt. 23 : 12. Luk. 14 : 11. 18 : 14.1 Petr. 5 : 6.

11 Broeders! spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijnen broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.

12 Er is een eenig Wetgever, die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die eenen anderen oordeelt ?

Rom. 14 : 4.

8 Nadert tot God, zoo nadert Hij tot u. Reinigt de handen, gij zondaars, en maakt uwe harten kuisch, gij wankelmoedigen.

9 Gevoelt uwe ellende en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in weenen, en uwe vreugde in treurigheid.

10 Verootmoedigt u voor den Heer, zoo zal Hij u verhoogen.

11 Spreekt niet kwalijk van elkander, broeders! Wie van zijnen broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.

12 Er is slechts één wetgever en rechter, die behouden en verderven kan. Wie zijt gij, die een ander oordeelt?

8 Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinigt uw handen, zondaars, en zuivert uw harten, dubbelhartigen.

9 Gedraagt u als ellendigen, bedrijft rouw en weeklaagt. Uw lachen verandere in rouw, uw vreugd in neerslachtigheid.

10 Vernedert u voor den Heer, en Hij zal u verhoogen.

11 Spreekt geen kwaad van elkander, broeders. Wie van zijn broeder kwaadspreekt en zijn broeder oordeelt spreekt kwaad van de wet en oordeelt de wet. En als gij haar oordeelt, dan zijt gij geen onderhouder der wet, maar haar rechter.

12 Eén is de wetgever en rechter, Hij die kan redden en verderven; maar wie zijt gij, dat gij u als rechter over uw naaste zoudt opwerpen ?

Onzekerheid des levens.

13 Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk eene stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen.

Luk. 12 : 18.

14 Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal! want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.

Jes. 40 : 6. 1 Kor. 7 : 31. Jakob. 1 : 10. 1 Petr. 1 : 24. 1 Joh. 2 : 17.

15 In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zoo zullen wij dit of dat doen.

Hand. 18 : 21. 1 Kor. 4 : 19. Hebr. 6 : 3.

16 Maar nu roemt gij in uwen hoogmoed; alle zoodanige roem is boos.

17 Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.

Luk. 12 : 47.

13 Welaan nu, gij, die zegt: Heden of morgen zullen wij gaan in die of die stad, en zullen daar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven en winst maken;

14 gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal! Want wat is uw leven? Een damp is het, die een kleinen tijd duurt en daarna verdwijnt.

Spr. 27 : l.

15 In plaats daarvan moest gij zeggen: Indien de Heer wil en wij leven, zoo zullen wij dit of dat doen.

16 Maar nu roemt gij in uwen overmoed; alle zoodanige roem is kwaad.

17 Wie dan weet goed te doen en het niet doet, dien is het zonde.

Luc. 12 : 47.

Deo volente: zoo God wil!

13 Welaan dan gij die zegt: Vandaag of morgen zullen wij naar die en die stad reizen, daar een jaar blijven en zaken doen, met winst. —■

14 Gij weet niets van morgen. Wat is uw leven? Een damp, die voor een korten tijd zich vertoont en dan weer verdwijnt.

15 In plaats dat gij zegt: Indien de Heer het wil, zullen wij in het leven blijven en dit of dat doen.

16 Maar nu roemt gij met pralerij. Al zulk roemen deugt niet.

17 Dus, wie weet goed te doen en het niet doet, voor dien is het zonde.

Veroordeeling der onbarmhartige rijken. 5 1 Welaan nu, gij rijken! weent en huilt over uwe ellendigheden, die over u komen.

Spr. 11 : 28. Amos 6 : 1. Luk. 6 : 24. 1 Tim. 6 : 9.

2 Uw rijkdom is verrot, en uwe kleederen zijn van de motten gegeten geworden;

3 Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal u zijn tot eene getuigenis, en zal uw vleesch als een vuur verteren; gij hebt schatten, vergaderd in de laatste dagen.

Matt. 6 : 19. Rom. 2 : 5.

4 Ziet, het loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de ooren van den Heere Sebaöth.

Lev. 19 : 13. Deut. 24 : 14.

5 Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uwe harten gevoed als in eenen dag der slachting.

Job 21 : 13. Luk. 16 : 19, 25.

6 Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige; en hij wederstaat u niet.

Onbarmhartige rijken.

1 Welaan nu, gij rijken, weent en jammert over uwe ellende, die u overkomen zal.

Luc. 6 : 24, 25.

2 Uw rijkdom is verrot, uwe kleederen zijn vol motten geworden;

Matth. 6 : 19.

3 uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u tot eene getuigenis zijn, en zal uw vleesch verteren als een vuur; gij hebt u schatten vergaderd in de laatste dagen.

4 Zie, het loon der arbeiders, die uw land gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept, en het roepen dergenen, die geoogst hebben, is gekomen voor de ooren des Heeren Zebaoth.

Lev. 19 : 13.

5 Gij hebt op de aarde in weelde en lusten geleefd, en uwe harten gevoed als op een dag der slachting.

6 Gij hebt den rechtvaardige veroordeeld en gedood; en hij heeft u niet wederstaan.

Wee den rijken.

1 Kom aan dan, gij rijken, weent en jammert over de rampen die u boven het hoofd hangen.

2 Uw rijkdom is verrot, uw kleeren zijn vol motgaten,

3 uw goud en zilver is verroest, en die roest zal tegen u getuigen en als vuur uw vleesch verteren. Gij hebt het opgespaard tegen den jongsten dag. _

4 Zie, het loon der arbeiders die uw akkers hebben gemaaid, dat door u achtergehouden is, schreeuwt om wraak, en de klachten der maaiers zijn gekomen tot de ooren van den Heer Zebaoot.

5 Gij hebt op aarde gezwelgd en gebrast, u teg;oedgedaan op den dag der slachting.

6 Gij hebt den rechtschapene gevonnist, vermoord, zonderdat hij zich tegen u verzette.

Sluiten