Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijnen Vader in Zijnen troon.

Matt. 19 : 28. 1 Kor. 6 : 2. 22 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

Het hemelsche troongeziclit.

De vier en twintig ouderlingen en de vier dieren.

A 1 Na dezen zag ik, en ziet, eene deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van eene bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u toonen, hetgeen na dezen geschieden moet.

gelijk ik overwonnen heb, en ben gezeten met mijnen Vader op zijnen troon.

Matth. 19 : 28.

22 Wie ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt!

Het hemelsche troongezicht. 1 Daarna zag ik, en zie, eene deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik met mij had hooren spreken als eene bazuin, zeide: Klim herwaarts op, ik zal u toonen wat na dezen geschieden zal.

zooals ook ik overwonnen heb en gezeten ben bij mijn Vader op zijn troon.

22 Wie een oor heeft hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Lof der vier en twintig ouderlingen en der vier dieren aan God. 1 Daarna zag ik, zie, in den hemel stond een deur open, en dezelfde stem die ik den eersten keer met het geluid van een bazuin tot mij had hooren spreken zeide: Klim hierheen op, en ik zal u toonen wat nadezen geschieden moet.

2 En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Een op den troon.

3 En Die daarop zat, was in het aanzien den steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien den steen Smaragd gelijk.

4 En rondom den troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte kleederen, en zij hadden gouden kronen op hunne hoofden.

5 En van den troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven geesten Gods.

6 En voor den troon was eene glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons, en rondom den troon, vier dieren, zijnde vol oogen van voren en van achteren.

Openb. 15 : 2.

7 En het eerste dier was eenen leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mensch, en het vierde dier was eenen vliegenden arend gelijk.

8 En de vier dieren hadden elkeen voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol oogen; en hebben geene rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, «n Die is, en Die komen zal.

Jes. 6 : 3. Openb. 1 : 4, 8. 11 : 17. 16 : 5.

9 En wanneer de dieren heerlijkheid, en eer, en dankzegging gaven Hem, Die op den troon zat, Die in alle eeuwigheid leeft;

10 Zoo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op den troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hunne kronen voor den troon, zeggende:

11 Gij Heere! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uwen wil zijn zij, en zijn zij geschapen.

Openb. 5 : 12.

2 En terstond was ik in den Geest; en zie, in den hemel was een troon gezet, en er zat een op den troon;

Ezech. 1 : 26. 10 : 1. Jes. 6 : 1.

3 en die daar zat, was in het aanzien den steen jaspis en sardis gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien een smaragd gelijk. Ezech. 1 : 28.

4 En rondom den troon waren vier en twintig tronen en op de tronen zaten vier en twintig oudsten, met witte kleederen bekleed, en hadden gouden kronen op hunne hoofden.

5 En van den troon gingen bliksemstralen en donderslagen en stemmen uit; en zeven vurige fakkels brandden voor den troon, welke zijn de zeven Geesten Gods;

6 en vóór den troon was eene glazen zee, kristal gelijk; en in het midden des troons en rondom den troon waren vier dieren, vol oogen van voren en van achteren.

Ezech. 1 : 5. Dan. 7 : 3.

7 En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier was een jongen stier gelijk, en het derde dier had een aangezicht als een mensch, en het vierde dier was een vliegenden arend gelijk.

Ezech. 1 : 10. 10 : 14.

8 En elk der vier dieren had zes vleugels, en zij waren rondom en van binnen vol oogen; en zij rustten dag noch nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig, is God de Heer, de Almachtige, die was en die is en die komt!

Jes. 6 : 2, 3.

9 En wanneer de dieren prijs en eer en dank geven aan Hem, die op den troon zit, die van eeuwigheid tot eeuwigheid leeft,

10 vallen de vier en twintig oudsten neder voor Hem, die op den troon zit, en aanbidden Hem, die van eeuwigheid tot eeuwigheid leeft; en zij leggen hunne kronen voor den troon neder, zeggende:

11 Heer, Gij, onze God, zijt waardig te ontvangen prijs en eer en kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door uwen wil bestaan zij en zijn zij geschapen.

2 Dadelijk geraakte ik in geestvervoering, en zie, in den hemel stond een troon, en op dien troon zat iemand,

3 en hij die er op zat geleek op jaspis en sardium, en rondom den troon was een regenboog, die op smaragd geleek.

4 En rondom den troon zag ik vier en twintig tronen, en op die tronen zaten vier en twintig oudsten, getooid in witte kleeren, met gouden kronen op het hoofd.

5 Van den troon gingen bliksemstralen uit en stemmen en donderslagen, en vóór den troon brandden zeven vurige lampen — dat zijn de zeven geesten Gods.

6 Vóór den troon was iets als een glazen zee, aan kristal gelijk. En in het midden van den troon en rondom den troon waren vier dieren, van voren en van achteren vol oogen.

7 Het eerste dier geleek op een leeuw, het tweede op een rund, het derde had het uiterlijk van een mensch, het vierde geleek op een vliegenden arend.

8 Die vier dieren, waarvan elk zes vleugels had, waren rondom en van binnen vol oogen. Zij zeiden zonder verpoozing dag en nacht: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Albeheerscher, Hij die was en is en komt.

9 En wanneer de dieren heerlijkheid, eer en dank zullen geven aan Hem die op den troon zit, die leeft tot in alle eeuwigheid,

10 zullen de vier en twintig oudsten voor Hem die op den troon zit neervallen, Hem die leeft tot in alle eeuwigheid aanbidden en hun kronen neerwerpen voor den troon, zeggend:

11 Gij, Heer, onze God, zijt waard te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht; want Gij hebt alles geschapen en door uw wil bestond het en was het geschapen.

Het boek met de zeven zegelen, c 1 En ik zag in de rechterhand Desgenen, Die op den troon zat,

Het boek met de zeven zegelen. 1 En ik zag in de rechterhand desgenen, die op den troon zat,

Het boek met zeven zegels. 1 Ik zag in de rechterhand van Hem die op den troon zat een

Sluiten