is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zesde zegel: hemel en aarde aangetast.

12 En ik zag, toen het Lam het zesde zegel opende: daar begon de aarde sterk te beven; en de zon werd zwart gelijk een haren zak, en de maan geheel als bloed;

13 en de sterren van den hemel vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vruchten afwerpt, wanneer hij door een sterken wind geschud wordt.

14 En de hemel week terug, gelijk een boek dat opgerold wordt, en bergen en eilanden werden alle van hun plaats gerukt.

15 En de koningen der aarde en de aanzienlijken en legeroversten en rijken en machtigen, en alle knechten en vrijen, zij zochten een schuilplaats in de holen en de rotskloven.

16 En zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons.' en verbergt ons voor het aangezicht van Hem die op den troon zit, en voor den toorn van het Lam!

17 Want de groote dag huns toorns is gekomen, en wie kan daarvoor stand houden ?

Zesde zegel; Gods raadsbesluit over de jongste Dag. 12 Ik bleef toezien, toen het Lam

het zesde zegel opende: iüen nevige aardbeving brak los; de zon werd zwart als een haren zak, de maan geheel als bloed;

13 de sterren des hemels vielen neer op de aarde, zoals een vijgeboom zijn onrijpe vijgen laat vallen, als hij door een sterke wind wordt geschud;

14 de nemei Kromp samen ais een boek, dat zich oprolt; alle bergen en eilanden vloden weg van hun plaats. —-

15 En de koningen der aarde, rijksgroten en legerhoofden, rijken en machtigen, alle slaven en vrijen, ze verborgen zich in de spelonken en rotsen der bergen.

16 En tot bergen en rotsen riepen ze uit: Valt op ons neer! Verbergt ons voor het aanschijn van Hem, die op de troon is gezeten, en voor de toorn van het Lam.

17 Want gekomen is de grote Dag van hun toorn! En wie ka'ïi dan blijven bestaan!

12 En ik zag, toen Hij het zesde zegel opende, en daar geschiedde een grote aardbeving en de zon werd zwart als een haren zak en de maan werd geheel als bloed.

Joël 2 : 31.

13 En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn wintervijgen laat vallen, wanneer hij door een harden wind geschud wordt.

14 En de hemel week terug als een boekrol, die wordt opgerold, en alle berg en eiland werd van zijn plaats gerukt.

15 En de koningen der aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de machtigen en alle slaven en vrijen verborgen zich in de holen en de rotsen der bergen;

16 en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op den troon, en voor den toorn des Lams;

Hos. 10 : 8.

17 want de grote dag huns toorns is gekomen en wie kan bestaan?

Nah. 1 : 6.

De geloovigen bemoedigd. De verzegeling der geloovigen.

1 Daarna zag ik vier engelen. Zij stonden op de vier hoeken der aarde, en hielden de vier winden der aarde vast, opdat er geen wind zou waaien over land of zee of eenigen boom.

2 En ik zag een anderen engel opstijgen van den opgang der zon; hij had het zegel van den levenden God, en riep met luide stem tot de vier engelen, aan wie gegeven was, schade toe te brengen aan de aarde en de zee;

3 en hij zeide: Brengt geen schade toe aan aarde of zee of boomen, vóórdat wij de knechten van onzen God verzegeld hebben op hun voorhoofd!

4 En ik vernam het aantal der verzegelden: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit al de stammen der kinderen Israëls.

5 Uit den stam Juda zijn verzegeld twaalf duizend, uit den stam Ruben twaalf duizend, uit den stam Gad twaalf duizend,

1 Daarna zag ik vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde; de vier winden der aarde hielden ze in bedwang, opdat geen wind zou waaien noch over de aarde, noch over de zee, noch over een boom.

2 Nog zag ik een anderen engel, opstijgend van de opgang der zon, dragend het zegel van den levenden God. Met machtige stem riep hij de vier engelen toe, wien het gegeven was, aarde en zee te beschadigen;

3 En hij sprak: Beschadigt noch aarde, noch zee, noch de bomen, vóórdat we de dienaars van onzen God op hun voorhoofden hebben gezegeld!

4 En ik hoorde het getal der gezegelden: Honderd vier en veertig duizend gezegelden uit alle stammen van Israëls zonen:

5 Uit de stam van Juda, twaalf duizend gezegelden. Uit de stam van Ruben, twaalf duizend. Uit de stam van Gad, twaalf duizend.

De verzegelden uit Israël.

1 Daarna zag ik vier engelen 7 staan aan de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde,

of over de zee, of over enigen boom. zach. 8 : 5.

2 En ik zag een anderen engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met luider stem tot de vier engelen, aan wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen,

3 en hij zeide: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de knechten van onzen God aan

hun voorhoofd verzegeld hebben.

4 En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvierenveertig duizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen Israëls.

5 Uit den stam Juda twaalfduizend verzegelden, uit den stam Ruben twaalfduizend, uit den stam Gad twaalfduizend,

6 uit den stam Aser twaalf duizend, uit den stam Naftali twaalf duizend, uit den stam Manasse twaalf duizend,

6 Uit de stam van Aser, twaalf duizend. Uit de stam van Néftali, twaalf duizend. Uit de stam van Manasse, twaalf duizend.

6 uit den stam Aser twaalfduizend, uit den stam Naftali twaalfduizend, uit den stam Manasse twaalfduizend,

7 uit den stam Simeon twaalf duizend, uit den stam Levi twaalf duizend, uit den stam Issaschar twaalf duizend,

7 Uit de stam van Simeon, twaalf duizend. Uit de stam van Levi twaalf duizend. Uit de stam van Issakar, twaalf duizend.

7 uit den stam Simeon twaalfduizend, uit den stam Levi twaalfduizend, uit den stam Issaschar twaalfduizend,

8 uit den stam Zébulon twaalf duizend, uit den stam Jozef twaalf duizend, uit den stam Benjamin

twaall duizend.

8 Uit de stam van Zébulon, twaalf duizend. Uit de stam van Josef, twaalf duizend. Uit de stam van Benjamin, twaalf duizend gezegelden.

8 uit den stam Zebulon twaalfduizend, uit den stam Jozef twaalfduizend, uit den stam Benjamin twaalfduizend verzegelden.