Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd niet zouden doen, deden de opstellers van dezen almanak. Zij spaarden hun hoogleeraren zooveel mogelijk om zich te bepalen tot een kritiek op den algemeenen toestand.

Er lag zekere druk op de Leidsche Theologische faculteit. Waaraan dit te wijten ? Leiden was in de oogen van het groote publiek nog immer het bolwerk van de moderne theologie. Maar de hoogleeraren moeten er zichzelf wel van bewust zijn geweest, welke bressen er in de wallen waren geschoten. De moderne theologie bewoog zich eerst in speculatieve richting. Hoewel er onder de hoogleeraren allerlei schakeering werd aangetroffen en de een zich meer aansloot bij H e g e 1 en K r a u s e, een ander bij Kan t, zoo domineerde toch de speculatieve geest van S c h o 11 e n. Men mocht tegen zijn rationalistisch monisme bezwaar hebben, in de principieelphilosofische kwestie van de verhouding tusschen idee en werkelijkheid stond men aan zijn zijde. De werkelijkheid werd ondergeschikt gemaakt aan de gedachte. Maar hiertegen trad de Utrechtsche hoogleeraar O p z o o m e r in het krijt. Toen hij met een rede over : „De wijsbegeerte den mensch met zichzelven verzoenende" zijn ambt aanvaardde, bewoog hij zich nog vrijwel in de lijn van S c h o 11 e n. *) Maar spoedig had hij genoeg van de speculatieve philosofie en wendde zich het empirisme en nog nader het positivisme van C o m t e en M i 11 toe2). Hij koos zijn uitgangspunt in ervaring en gevoel. Om zijn schitterende welsprekendheid, waarin de hartstocht van overtuiging oplaaide, stroomden de studenten naar hem toe. Hij sprak voor stampvolle collegezalen3). Een man als A11 a r d P i e r s o n werd door hem gewonnen. De Leidsche professoren bestreden hem, S c h o 11 e n heftig, Kuenen, Rauwenhoff, Land meer gematigd. Maar zij moesten het onderspit delven. De stroom der moderne theologie ging Leiden voorbij. S c h o 11 e n

*) Dit verhinderde Scholten niet tegen hem een brochure van onovertroffen felheid te schrijven: ,,Mr. C. W. Opzoomer beoordeeld", Utrecht. Kemink, 1846.

2) Vgl. Mr. W. van der Vlugt, ,,De Geestelijke Wetenschappen" in „Eene halve Eeuw 1848—1898", Historisch Gedenkboek. Amsterdam, Beijers en Funcke, 1898, dl. II bl. 2 v.v. en vooral: K- H. Roessingh „De moderne Theologie in Nederland, Hare Voorbereiding en Eerste Periode", Groningen, v. d. Kamp, 1914, bl. 110 v.v.

3) A. Pierson, „Rigting en Leven", Haarlem 1863 bl. 140 v.v.

Sluiten