Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook weinig gewaar; is er op dat gebied in den laatsten tijd wat belangrijks verschenen? Gij zult mij een grooten dienst doen, door mij hiermee een beetje „op de hoogte" te houden".

Niet altijd echter kan hij zich er even gemakkelijk bij neerleggen, dat van voortgezette studie zoo weinig bij hem terecht komt. Hij klaagt in een anderen brief aan zijn vriend : „Ik heb het land aan mijzeli. Ik doe niet, wat ik moest, wat ik tot op zekere hoogte nog kon aoen. Mijn pastorale arbeid neemt veel tijd in beslag. Maar ik Iaat ook menig uur verloren gaan. Hoe, is licht te begrijpen. Dan roept me dit, dan dat. Van geregelde studie is geen sprake. Een eenigszins uitgebreid onderwerp aan te vatten en flink te bestudeeren is haast onmogelijk, of liever, ik heb er den moed niet toe. Zoo vermindert de lust tot studie. En wat er dan nog gedaan wordt is een zich verliezen in kleinigheden, lezen van couranten tijdschriftartikelen, dat zoo ongeveer niets geeft. Daar hebt ge wat jammerklachten, die uit het hart zijn geweld. Er moet spoedig verandering komen, of anders loopt 't mis. Gelooft ge wel, dat ik in ernst erg tegen je begin op te zien en me in je schaduw niet meer durf plaatsen ?"

Onder het briefschrijven wisselt echter zijn stemming weer een weinig. Want hij gaat voort: „Ik troost me hiermee, dat ik in mijn predikantsbetrekking niet ongezegend arbeid. Als er van die oude vromen tot mij komen, die me zeggen, hoe ze door mijn woord gesterkt en vertroost zijn, of anderen, die nu een gansch ander leven kennen en leiden — dan is me dat een bemoediging en ik ontvang dan den indruk, dat ik toch niet gansch nutteloos op aarde geleefd heb en leef. En zulke oogenblikken zijn dan onbetaalbaar en kunnen door niets anders vergoed worden".

De gemeente van Franeker werd inmiddels ontrust door een beroep naar Amsterdam, op haar leeraar uitgebracht. Het kon niet anders, of de opgang, welke hij daar maakte, moest door de geheele Christelijke Gereformeerde kerk in ons land bekend worden en de gemeente in de hoofdstad zelfs verachtte zijn jonkheid niet. Maar Bavinck vertrouwt het (7 Maart 1882) aan zijn vriend toe : „Voor het beroep naar Amsterdam zal ik waarschijnlijk deze week bedanken. Alleen de grootere drukte zou mij het aannemen onmogelijk maken, veelmeer nu ik nog amper een jaar hier ben".

Sluiten