Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoudt hebben, kon ik vermoeden, 't Is niet mogelijk, in een brief zoo diep ingrijpende kwesties te behandelen, toch wil ik op de twee door u geopperde opmerkingen even antwoorden. Naar ik meende, kon ik de kwesties, die in verband staan met 't hist. crit. onderzoek des Bijbels laten rusten. En omdat het eene rede was, dus aan grenzen gebonden. Maar ook wijl mijn doel een gansch ander was. Dat doel was, om te toonen, wat de Theologie naar haar eigen aard is en wezen wil. Theologie is, dunkt mij, kennen van God. Zij geeft het antwoord op de zeer eenvoudige en zeer practische en voor elk mensch, ook den ongeleerdste, belangrijkste vraag: hoe ken ik God, en hoe krijg ik dus het eeuwige leven ? Zoo opgevat, is er geen ander antwoord mogelijk, dan: alleen uit de H. Schrift. Deze is eenige en genoegzame kenbron. Neem eene andere kenbron aan, rede, geweten, gevoel, concilie — gij komt tot de kennis Gods niet en verkrijgt het eeuwige leven niet. Dan moet er aan het bevredigd worden van de diepste zucht onzes harten: n.1. het kennen en liefhebben van God, gewanhoopt worden. Moet dat eigenlijk op Protestantsch terrein nog wel bewezen worden ? Is de historie ook van onze eeuw niet daar, om ze te bewijzen, dat men anders tot kennis van God niet kan komen ? Is de omzetting der Theol. in godsdienstwetenschap niet feitelijk een erkennen : God kan niet gekend worden, en dus het eeuwige leven is onbereikbaar. Dat wilde ik aanwijzen van 't hart der Theol. uit. Hoe die H. S. er nu uitzag, of ze geschonden was, etc. kon ik laten rusten. Dit alleen moest uitkomen, dat de theoloog, wilde hij wezen wat hij heet, even vast gebonden was aan den Bijbel als de natuuronderzoeker aan de natuur. En evenals een natuuronderzoeker de natuur als eenige kenbron poneert, en te velde trekt tegen speculaties buiten de natuur om, zonder daarom nu te behoeven te beschrijven, wat die natuur is, hoe ze er uitziet etc. — zoo handelde ook ik. Ik voel, welke bedenking ge hier hebben zult: maar ge gaat dan ook uit van een apriorisme, van iets, dat ge — naar veler meening, willekeurig — als stelling en uitgangspunt poneert. Dat is zoo, en 't kan niet anders. Dit is het verschil tusschen U en mij (laat me zoo maar eens persoonlijk spreken); gij wilt door en na onderzoek tot deze stelling komen; ik ga ervan uit en ga dan aan 't verder onderzoeken. Ik meen, dat dit laatste moet, zal er ooit van Theologie

Sluiten