is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. Herman Bavinck

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Voortzetting der Doleantie; c. Theol. School.1) Hiervoor werd een commissie benoemd, die tevens werd aangewezen om eventueele correspondentie te voeren met de Deputaten der Utrechtsche Synode en haar adres bij B a v i n c k had. In het slotwoord van den praeses, Ds. Gispen, komen de merkwaardige zinsneden voor: „Naar mijne gedachten zouden wij de Vereeniging wel hebben kunnen treffen, naar 's Heeren gedachten nog niet. Wij

berusten in Zijn wil".2)

Hoe B a v i n c k er destijds voorstond, toont zijn bedanken voor de benoeming tot hoogleeraar aan de Vrije Universiteit en de motieven, welke hij daarvoor aanvoerde. In zijn „Dagboek" vermeldt hij heel laconiek: „26 Maart Dinsdag s nam. ontving ik benoeming tot Hoogl. aan de Vrije Univ. te Amst. 15 April. Voor die benoeming bedankt". Weinig doen deze woorden vermoeden welk offer hij hiermee bracht. Men meende, dat deze beslissing hem als zoon der Scheiding wel gemakkelijk moest vallen. Maar in een Bazuinartikel komt hij daartegen op. Hij betuigt daarin zijn dank voor de hartelijke en dringende beden, welke hem uit de Chr. Geref. Kerk werden toegezonden om toch aan de Theologische School te blijven. Doch dan vervolgt hij:

„Misschien verwondert het velen, dat ik de benoeming nog zoo lang en zoo ernstig in overweging nam. Maar het kwam mij voor, dat ik niet anders mocht doen. Bekend met de omstandigheden, waaronder zij plaats had, bezag ik haar in een ander licht, dan waarin zij zich aan velen voordeed. Bovendien: de Vrije Universiteit, hoe weinig zij ook aan haar naam en doel beantwoorde, is toch vertegenwoordigster en draagster van een groote gedachte. Zij stelt zich een doel voor oogen, dat elk Gereformeerde heilig moet zijn, de handhaving n.1. van de eere Gods ook op het terrein der wetenschap. Zij gaat in de opleiding van predikanten niet op, en staat als zoodanig geheel buiten de kerkelijke kwestiën. En daarom meende ik het aan de benoeming zelve verschuldigd te zijn, om ernstig te beproeven, of ik in haar ook een roeping van 's Heeren wege hadde te zien.

!) Handelingen, art. 282. 2) Handelingen, art. 284.