is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. Herman Bavinck

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in „De Bazuin" de geschriften van Ten Hoor en Kuyper. Hij achtte het noodig voorop te stellen : „Lofredenaar van de Doleantie en van de aan haar ten grondslag liggende theorieën ben ik nimmer geweest".1) Maar na eenige waardeerende woorden aan het adres van Ten Hoor te hebben geplaatst, rafelt hij diens brochure uiteen. Hij verwijt hem spitsvondigheid en gemis aan broederlijken zin, laakt het in hem, dat hij Kuyper van pantheïsme en labadisme beschuldigt, brengt hem herhaaldelijk met zichzelf in tegenspraak.2) Ook op Kuypers brochure oefent hij eenige, schoon matige kritiek, maar hij toont er zich toch ten zeerste mee ingenomen. „Ik ben dan ook overtuigd, dat Ds. ten Hoor zich, wat dit punt aangaat, met de brochure van Dr. Kuyper van harte zal kunnen vereenigen. En niet alleen hij, maar vele anderen, die gelijke bezwaren hadden, zullen door het jongste vlugschrift van Dr. Kuyper dankbaar en voldaan wezen".®) Was het B a v i n c k s bedoeling met dit laatste artikel, naar hijzelf te kennen gaf, een verzoenend woord te spreken, dit mocht niet baten. Vinnig werd hij door Ten Hoor aangevallen. Eerst verweerde B a v i n c k zich daartegen niet. Hij achtte dit in het belang der omstandigheden. „Maar anderen oordeelden anders en meenden, dat het ' zwijgen aan machteloosheid zou worden toegeschreven en voor het standpunt, dat ik inneem, nadeelig werken zou". Hij geeft toe, dat de bestrijding van T e n Hoor grooten bijval heeft gevonden. „Ds. ten Hoor is zoo spoedig van verschillende zijden als overwinnaar gekroond, dat het hem verrassen moet te vernemen, dat hij voor het grootste gedeelte gestreden heeft tegen een denkbeeldigen vijand.... hij (heeft) wel met inspanning van alle krachten gestreden, maar alzoo als de lucht slaande".4) Aan deze en soortgelijke uitlatingen kan men bemerken, dat B a v i n c k zich aan de houding van T e n H o o r ergerde.

Omtrent de komende Synode viel niets zekers te voorspellen. B a v i n c k, gesteund door zijn collega W i e 1 e n g a, ondervond

1) Jg. 1890, no. 46 (14 Nov

a) No. 48 (28 Nov.), no. 49 (5 Dec.)

3) No. 52 (26 Dec.)

4) Jg. 1891, no. 18 (1 Mei).