Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de Vader is wèl te bevatten volgens zijne liefde en menschelijkheid. „Hij, die niet te bevatten en niet te begrijpen is, vertoont zich als zichtbaar en bevattelijk aan de menschen. Het Woord Gods geeft den Vader te bevatten; het heeft gewoond in den mensch en is de Zoon des menschen geworden, opdat het den mensch er aan zou doen gewennen om God te bevatten en God zou doen gewennen om in den mensch te wonen." 1)

Zoo moet dan de incarnatie worden gewaardeerd als een zaak van vatbaar-maken, van afdaling en aanpassing. Irenaeus noemt haar een melkspijs voor kinderen. „Hij is tot ons gekomen niet zooals Hij zelf vermocht, maar zooals wij zouden vermogen te zijn."2) Er is sprake van zijn „verschijning naar den mensch." „De Zoon van God, volmaakt zijnde, is kind geworden met den mensch, niet ter wille van zich zeiven, maar ter wille van de kinderlijkheid van den mensch is Hij zóó vatbaar geworden, dat een mensch Hem kan bevatten."3) De vleesch-wording heeft plaats in een mensch, en dit ter wille van den mensch. Zij is dus geen overgang tot, of vermenging met den mensch. Irenaeus spreekt van natuur als van datgene, wat de mensch als mensch, krachtens de schepping is. De substantie is het wezenlijke van den mensch, datgene wat zijn mensch-zijn vormt. Met de substantie staat en valt de mensch; zij is onschendbaar. De natuur daarentegen kan verheerlijkt of verdorven worden. Om de moderne categorieën te hulp te roepen — men zou misschien de natuur als het ontologische of metaphysische, de substantie als het phaenomenologische kunnen aanduiden. De persoon is datgene wat handelt; de motor van wat natuur of wezen kan worden genoemd. Zoo heeft dan de persoon van den Zoon van God, dus de goddelijke motor, de leiding van alles, van wat de incarnatie zelve is en van wat zij medebrengt. Zij bedient zich daarbij van een menschelijk lichaam en eene menschelijke ziel, ten aanzien waarvan zij de plaats inneemt van den menschelijken geest. Want lichaam, ziel en geest vormen den volledigen mensch. Hier echter is meer-dan-mensch. Hier is de persoon van den Godmensch. Maar deze persoon staat niet op zich zelve. Zij is onafscheidelijk van de goddelijke natuur of het wezen, datgene wat God tot God maakt en dus onveranderlijk en onvervreemdbaar is. Deze vereeniging van God-zijn en mensch-zijn is voor Irenaeus

1) Irenaeus, Adv. haereses IV, 20 : 5.

2) Ibid. IV, 38 : 1.

s) Ibid. IV, 38 : 2.

Sluiten