Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kracht is van God, die, in de schepping werkzaam, bij de verlossing persoonlijk wordt, om zich eenmaal weer in God op te lossen. Zoo wordt de twee-heid van God zelf en van datgene, wat zich in deze wereld, historisch, van Gods wege vertoont, kunstmatig geforceerd. De Kerk wijst deze krachtproef af, omdat zij de incarnatie niet tot iets tijdelijks wilde zien herleid.

Daartegenover staat Apollinaris, die op de eenheid den nadruk legt op eene wijze, welke hij bij Athanasius verwaarloosd acht. De goddelijke Logos neemt het bezielde vleesch aan, maar hij wordt daarbij zelf het beginsel van zelf-bewustzijn en zelf-bepaling, dus wat wij zouden noemen de persoon, de geest, zóó, dat Hij in de plaats treedt van de menschelijke rede. Er is dus slechts van ééne natuur sprake. Ook deze opvatting werd verworpen. Als motief daarvan gold bij paus Damasus, dat hierbij de volle menschheid niet tot haar recht kwam. Zij werd immers ont-hoofd, doordat de goddelijke Logos de plaats der menschelijke rede innam. Hoe zou op deze wijze Christus den geheelen mensch, ook zijne rede, die in de zonde was gevallen, kunnen bevrijden ? ]) Men ziet, hier ligt op den achtergrond het altijd waakzame verzet tegen de uitwissching der grenzen tusschen God en mensch en de hevige begeerte om de verlossing van den geheelen mensch, dus de verlossing van het geschapene als zoodanig, te waarborgen.

Het tweede concilie, het eerste van Constantinopel, in 381, heeft ten aanzien van de menschheid van Christus het zelfde beslissende woord gesproken, dat het eerste ten aanzien van zijne godheid had doen hooren. Beide, godheid en menschheid, moeten als onverkort worden beleden. Hiermede staat en valt immers de zekerheid, dat God zelf in de incarnatie ons nabijgekomen is en dat deze komst ons menschelijk bestaan in zijn geheel ten goede komt. Godheid en menschheid worden niet ten koste, maar ten goede van elkander naast elkaar gesteld.

Nog één vraag wacht op antwoord, die naar het verband tusschen beide, de godheid en de menschheid van Christus. Na de twee-heid van God-zijn en mensch-zijn moet ook het God-mensch-zijn als twee-heid op eenige wijze worden vastgesteld. Alles roept hierom. Eenerzijds wordt ter wille van de persoon de natuur, andererzijds ter wille van de natuur de persoon verdoezeld of uitgewischt. Hier komt men er toe twee personen aan te nemen; door ééne natuur

2) cf. Denzinger, 1. c. num. 65.

Sluiten