Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegelijk ontdekt hij, als hij zijn persoonlijken levensweg beschrijft, zelf den Christus. Deze ontdekking geeft kleur aan zijne christologie. Zij bewijst, dat de belijdenis der Kerk de uitdrukking is, zoowel persoonlijk als kerkelijk, van de scheppende kracht, die in Christus zich meester maakt van den mensch. Men denke aan de wijze, waarop Augustinus in zijn Confessiones zijn overgang van het neo-Platonisme tot het Christendom beschrijft, als van de idee tot de persoon, van menschelijk ideaal tot goddelijke gave, van wat Kierkegaard later zal onderscheiden als religiositeit A, als religieus idealisme, dat immanent blijft, en dat hij heidendom noemt, en religiositeit B, als de openbaring van God zelf, welke wordt geloofd, en transscendent gefundeerd is, voor hem met het Christendom, d. i. met Christus, één. *) Dit is het wat Augustinus noemt het sacramentum, het geheimenis, van de vleesch-wording, 2) waaraan hij de goddelijke genade, de genezende kracht, verbindt, die hem heeft bekeerd en vernieuwd. Bij Augustinus staat voorop de nadruk, dien hij legt op het God-zijn van Christus, als het initiatief van zijn persoon en werk. Hierbij is ondersteld zoowel de theologische als de soteriologische grondstemming van den Kerkvader. De eerste, in zooverre God en mensch niet gelijk-op in aanmerking komen, maar de mensch slechts is wat hij is bij de gratie Gods. De tweede, in zooverre de empirische mensch zelfs wat hij is, niet is en niet kan zijn krachtens zijn zondigheid en dus aan de verlossing, als scheppende actie van God, behoefte heeft. Men kan zeggen, dat Augustinus ook in zijn christologie anti-pelagiaansch is, in zooverre zijn christologie theologisch wordt gedragen, d. w. z. de beteekenis van Christus bestaat niet hierin, dat in Hem een mensch zich strevend tot God omhoog worstelt; maar dat God zich verlossend tot den mensch omlaag buigt. Zóó had Augustinus het Christendom, in onderscheiding van het neo-platonisme, in zijn eigen leven leeren kennen.

De wijze, waarop Augustinus de incarnatie theologisch ontwikkelt, is minder belangrijk dan die, waarop hij haar soteriologisch onderheit. Juist dat hij zich soms op een voor den niet goed verstaande gevaarlijke wijze uitlaat bewijst, dat hij geen gevaar ziet. De uitdrukking: „God is mensch geworden, opdat de mensch God zou worden" vloeit hem argeloos uit de pen3); evenals wij dat bij

*) Kierkegaard, Philos. Broeken u. s. w. 2r T, Ges. Werke B VII, 1925, S. 229.

2) Augustinus, Confessiones L VII, c. 19.

3) Augustinus, Sermo CXXVIII.

Sluiten