Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men heeft ook verband gezocht tusschen de semi-pelagiaansche, min of meer synergistische, neigingen van het Westen en de onderscheiding tusschen het menschelijke en het goddelijke, het natuurlijke en het bovennatuurlijke, de vrijheid en de genade in den God-mensch. Deze aanwijzingen zijn niet willekeurig of onbelangrijk. Het is een feit, dat in de opvattingen over Christus zich telkens kristalliseert de houding, die men aanneemt t. a. van de betrekking tusschen God en mensch in het algemeen. De vraag: wat dunkt u van den Christus? is altijd centraal.

Wij moeten ons intusschen wachten voor het gevaar van te veel te stiliseeren. Het Westen is een zeer gedifferentieerde grootheid en het beschrijft een geschiedenis van eeuwen. Daarom is het van belang op de groote, concreete momenten der geschiedenis de aandacht te vestigen, op de wijze, die wij tot dusver hebben gevolgd. Hierbij kunnen wij de personen niet missen, ook al gaat het om de Kerk.

Van belang is, dat in de middeleeuwen eigenlijk slechts éénmaal een dogmatische strijd over de incarnatie is gevoerd en wel reeds in de 8e eeuw. Het is min of meer een da capo van het Nestoriaansche geding. Elipandus, de aartsbisschop van Toledo, nam wel niet twee ik-ken, twee personen, aan, maar liet de twee onderscheidene naturen, de goddelijke en de menschelijke, samenvloeien in één persoon, als in een resultante van natuur en soort eenerzijds en van genade en aanneming andererzijds. Het concilie van Frankfort verwierp in 794 dezen vorm van Adoptianisme. Het verklaarde, dat de menschelijke natuur op zich zelve onpersoonlijk is en de persoonlijkheid ontleend is aan de persoon der godheid. „Wat," zoo wordt gevraagd, „is de natuur van den mensch tenzij ziel en lichaam ? ... De persoon van den Zoon is in de heilige Drieëenheid gebleven en bij die persoon is gekomen de menschelijke natuur, opdat het zou zijn ééne persoon, God en mensch, niet een vergoddelijkt mensch of vermenschelijkt God, maar God-mensch en mensch-God: wegens de eenheid der persoon de eene Zoon van God; eveneens de Zoon van den mensch, volmaakt God, volmaakt mensch." 1)

Het zijn bekende klanken, evenzoovele waarschuwingen om niet te trachten te verklaren of te bemiddelen wat nu eenmaal vaststaat als onwrikbaar onderscheid tusschen God en mensch. Wij zullen

*) Denzinger, 1. c. num. 312.

Sluiten