Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin de Kerk haar ziet, als „einmalige" daad van God, wel als schepping, maar als een van bijzonderen, geestelijken aard. Zij wordt bij Osiander iets directs, een soort van schepping in tweeden aanleg, in Christus gerealiseerd en in den Christen herhaald. Hier ligt eene heenwijzing naar een vorm van moderne incarnatietheorie, die de incarnatie evolutionistisch interpreteert, en dus tot zekere hoogte normaliseert. Het is dan ook begrijpelijk, dat Calvijn zoo impulsief Osiander bestrijdt en in diens theorie het geheele levensgevoel van dezen eigengereiden „realist" ten toon stelt. Dit is een realisme van geheel andere orde dan dat van Calvijn. Het „vermengt den hemel met de aarde," J) terwijl Calvijn juist den afstand tusschen God en mensch vóór alles laat gelden.

Heeft de Luthersche scholastiek, die wij bij monde van twee groepen zich hoorde uiten, de incarnatie niet ontwikkeld, maar min of meer in monophysitische richting afgeleid, de Luthersche mystiek toont eene dergelijke neiging. Dit blijkt uit de wijze, waarop Christus soms de plaats van God vervangt en zelfs Jezus die van Christus. De vroomheid der Herrnhuters gaat in dit opzicht wel zeer ver. Het mensch-zijn wordt met het God-zijn vereenzelvigd, in den God-mensch en tot zekere hoogte ook in zijne getrouwen.

Hier zijn wij wel verre van het Gereformeerde type afgedwaald, dat oorspronkelijk niet zóó ver van Luther afstond. Toch staat hier onmiddellijk voorop het besef van den afstand tusschen God en de schepping. Hier wordt het „Finitum non capax infiniti": het eindige kan het oneindige niet bevatten, aanvaard. Ritschl heeft het, in toepassing op ons onderwerp, zóó geformuleerd: „Lutherisch ist das Verbum incarnatum das Subjekt der exinanitio. Reformiert ist das Verbum sese exinaniens das Subjekt der incarnatio." 2) Dit beteekent in de eerste plaats, dat de Gereformeerden hun steunpunt hooger kiezen dan de Lutherschen, boven de sfeer der geschapenheid; zij is een actie van God zelf. In de tweede plaats, dat zij deze actie zelve zien als eene vernedering. Van deze is dan de incarnatie de uitdrukking, anders niet. Zij is dus zuiver soteriologisch gemotiveerd. In de derde plaats wordt hier de onderscheiding tusschen God en mensch, Woord en vleesch, als oorspronkelijk en onherleidbaar geponeerd: de incarnatie is dus een daad, die aan God zeiven niets

*) Calvinus, Institutio relig. christ. L I, C. 15 S. 3.

2) A. Ritschl, Geschichte der Lehre der Rechtfertigung und Versöhnung2, 1883 3r B.

s. 378.

Sluiten