Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

217

Wij hebben hier te doen met den overgang van geest tot existentie, volgens het schema van Heinemann, die bezig is zich in onzen tijd te voltrekken. De „Kopernikanische Wendung" van Kant wordt problematisch geacht. Men komt zelfs op haar terug. Het is niet zóó, dat de kennis, de rede, het bewustzijn het uitgangspunt vormen, waarvan wij uitgaan. Het gaat om de „wirkliche Existenz" tegenover de „abstrakte Welt". Het zich-bevinden-in is datgene, waaruit het denken zich los wikkelt. Het eerste is primair, het tweede secundair, het eerste „gegeven", het tweede „opgegeven". Het zijn gaat aan het bewust-zijn vooraf. Deze zin voor de werkelijkheid, voor den levenden mensch, voor het levensverband, waarin hij zich beweegt, is in onzen tijd zeer sterk. Dit is het wat Heidegger kiest als voorwerp van zijne scherpzinnige analysen van „Sein und Zeit" 2) en wat Jaspers beschouwt als thema der philosophie. „Philosophieren ist der Weg des Menschen, der geschichtlich in seiner Zeit, das Sein ergreift". Het heeft te doen met de existentie, maar deze blijft binnen de sfeer der immanentie. „Im Philosophieren spricht sich ein Glaube ohne jede Offenbarung aus, appellierend an den der auf demselben Wege ist; es ist nicht ein objektiver Wegweiser im Wirrsal; ein jeder fasst nur, was er als Möglichkeit durch sich selbst ist." 3) Hier heeft wel een ommekeer plaats van de kennis tot het voorwerp, maar beide zijn ten slotte één. Het is dus niet de existentieele houding op zich zelve, die den mensch boven de eenheid des levens uitheft. Ook in zijn worsteling om het ideaal blijft hij in deze eenheid bevangen. Van de overzijde wordt niet ingegrepen. Vandaar dat zoowel Heidegger als Grisebach Kierkegaard's christelijke existentie-gedachte beslist afwijzen.4) Alleen in deze wending heft zij echter boven de wereld uit en opent zij ruimte voor eene betrekking, waarin voor incarnatie plaats is.

Het zal ons nog blijken, dat geene wijsgeerige methode of algemeene wereldbeschouwing zich met de incarnatie laten verbinden, dan die gevormd zijn door een geest, die de incarnatie als religieuze werkelijkheid geloovig heeft aanvaard.

*) Eb. Grisebach, Gegenwart, 1928 S. 5.

2) Martin Heidegger, Sein und Zeit2. ie H. 1929.

3) Karl Jaspers, Philosophie, ir B. Philosophisclie Weltorientierung 1932, S. VII.

4) Vgl. W. J. Aalders, Het woord existentie in het moderne wetenschappelijke spraakgebruik, 1932, bl. 29 w.

Sluiten