Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Darum ist diese unbegreifliche Vollendung seines Kommens die unbegreifliche Vollkommenheit seiner Liebe, die doch zugleich nichts anderes ist als sein unbedingter Wille, sich selbst, seine Gottheit, sein göttliches Wesen offenbar zu machen und zur Geltung zu bringen." x) Brunner noemt dit het hoofdthema van de oudkerkelijke incarnatie-leer. Niet dat door een magisch wonder de menschelijke natuur zou veranderd zijn, maar dat Gods liefde op aarde zichtbaar geworden is in dit zijn komen tot ons, is de bedoeling van Irenaeus, Athanasius, Cyrillus; ook van Luther en het klassieke kerklied.

Zoo wil Brunner dus alles zien in de sfeer der werkelijkheid, de daad, de existentie, niet in die van de beschouwing en de verklaring. Intusschen laat hij ons voor groote moeilijkheden staan. Hiermede is niet bedoeld de incarnatie als zoodanig, als geloofswerkelijkheid, maar als een gegeven, dat men tracht uit te drukken en te omschrijven in woorden en begrippen. Zoo neemt hij wél eene menschelijke persoonlijkheid, maar geen persoon aan. Wel eene menschelijke existentie, zelfs eene „Person-existenz", maar eene goddelijke persoon. Hij kent Jezus zelfs een zelfbewustzijn toe, dat een tijdelijk ontstaan heeft, zooals een zuiver menschelijk bewustzijn. Er is dus een ik, dat onderscheiden is van persoon. Ziedaar uitdrukkingen en vormen, die niet bevredigen, omdat zij gebruik maken van bepaalde woorden, maar deze toepassen op eene wijze, die buiten hunne toepasbaarheid gaat. Zij brengen ons dus niet verder, doch waartoe ze dan ingevoerd? Brunner heeft volkomen gelijk, als hij een psychologisch verstaan van het godmenschelijke bewustzijn als een „contradictio in adjecto" afwijst.2) Een psychologie van den God-mensch is onmogelijk. Maar het is dan ook niet mogelijk een psychologie te geven van het tweede lid dezer twee-eenheid. Immers, deze mensch is geen mensch op zich zelf, zooals wij zijn. Het heeft soms den schijn, alsof Brunner den mensch in den God-mensch van den God isoleert, b.v. bij de wijze, waarop hij den mensch tot het terrein der waarneembaarheid en der historie herleidt en den God tot dat van het geloof. Wat algemeen waarneembaar is in Christus, is niet de mensch op zich zelf, als afzonderlijke grootheid, die als zoodanig bestaat, als een masker, dat God voordoet. De betrekking tusschen

*) a. a. O. S. 265. 2) a. a. O. S. 313.

Sluiten