is toegevoegd aan uw favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christelijk verband, zooals wij dit voor en na bij de ontwikkeling van de incarnatie hebben ontmoet. De Kerk heeft ook nieuwe woorden en termen gevormd. De sociologische beteekenis van de taal blijkt nergens meer dan als zij moet dienen om geestelijke woorden uit te drukken, waarmede allerlei menschen te doen hebben. Er bestaat in de geestelijke wereld eene fijne en dikwijls onnaspeurlijke continuïteit en affiniteit. Ook het tegendeel. En het is uiterst moeilijk, vooral op een afstand van eeuwen, den zin en de draagkracht van zekere woorden en woordverbindingen juist te waardeeren.

Wat Jaspers zegt van de „Chiffre's",*) als aanduiding, teeken van geestelijke werkelijkheid, geldt tot zekere hoogte ook van de kerkelijke termen en dogmatische formules: zij duiden aan, zij teekenen — maar men moet rekenen met het symbolische en significatieve karakter, dat zij dragen; ook met de traditioneele en conventioneele elementen, die zij mededragen. Zij staan in verband, direct of indirect, persoonlijk of algemeen, met bepaalde voorstellingen en begrippen, motieven en gevoelens en zij beteekenen zooveel als zij hiervan uitdrukken. Zij beteekenen zelfs meer. Zij hebben een zeker eigen bestaan, dat zin heeft los van den wisselenden inhoud, dien zij op een bepaald oogenblik voor een bepaald persoon bezitten. Zij bezitten zekere boven-persoonlijke waarde en kracht.

Wat van de woorden geldt, heeft nog meer zin ten aanzien van de denk-vormen en -wijzen, de levens-opvattingen en de wereldbeschouwingen, waarvan de woorden de tolken zijn. De incarnatie heeft geen zin voor wie slechts ééne wereld kent. Ook niet voor wie slechts werelden of wereldorden kent, zonder persoonlijke leiding. De oude Christenen hebben van meetaan zich instinctief en welbewust afgewend van scepticisme en positivisme, van materialisme en van eiken vorm van monisme, terwijl ze zich door zekere „Wahlverwandtschaft" neigden in de richting der door Plato en Aristoteles en door het neo-Platonisme en het vergeestelijkte Stoïcisme vertegenwoordigde wijsbegeerte en cultuur. Zij hadden hiertegen principieele bezwaren, maar zij konden tegen hen strijden als tegen machten, die de bestrijding waard waren, omdat ook zij geestelijke goederen najaagden. In onzen tijd wordt van alle zijden aan het oude Christendom verweten, dat het goeddeels gecapituleerd

J) Karl Jaspers, Philosophie, 3r B. Metaphysik, 1932, S. 128 ff.