Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebruikt, drukken niet slechts hetzelfde op andere wijze uit, maar zij drukken ook iets anders uit. Eene psychologie zonder psyche, die slechts van bewust-zijn en bewustzijns-verschijnselen weten wil en geen persoon en natuur kent, kan ons niet dienen, als wij de incarnatie willen uitdrukken. En hetzelfde geldt van menige moderne philosophie, voor welke alle substantie of essentie mythologische begrippen zijn, waarvoor zij sedert lang bewustzijn en leven in de plaats heeft gesteld. Ook met deze begrippen komen wij niet uit. De wijze, waarop niet lang geleden een „Christology in modern terms" 1) is beproefd, maant tot voorzichtigheid. Men heeft b.v. gebruik gemaakt van uitdrukkingen, aan de moderne natuurwetenschap ontleend, als wet en evolutie. Maar het is bekend hoeveel misbruik van het woord wet is gemaakt, als „ijzeren natuurwet", en hoe tegenwoordig de neiging bestaat om het woord als regel op te vatten en in statistischen zin te verstaan. Ook het woord evolutie heeft zich zelf door zijn onbegrensd gebruik verdacht gemaakt.

Men moet trouwens in het algemeen voorzichtig zijn met het toepassen van woorden, aan de natuurwetenschap ontleend, op het geestelijke leven. Dit klemt misschien thans meer dan vroeger, nu de natuurwetenschap „geestelijk" wordt en dat gevaar van vervloeiing dreigt. Men denke b.v. aan de termen statisch en dynamisch. Er wordt op aangedrongen het statische door het dynamische te vervangen, het vaste door het beweeglijke, het gestolde door het vloeiende, het zijnde door het werkzame. Dit wordt dan, naar analogie van de natuurwetenschap, overgebracht op de geesteswetenschap en op de theologie. God moet niet statisch, maar dynamisch worden opgevat, niet als onbeweeglijk, maar als beweeglijk en bewogen. Dit laat zich inderdaad op den levenden God toepassen. Maar niet zonder rest. Wat God tot God maakt is toch, dat Hij niet behoort tot de beweeglijke, veranderlijke en betrekkelijke wereld, waarvan wij deel uitmaken, maar dat Hij souverein, scheppend, leidend en oordeelend daarboven staat. Wat komt er van terecht, als men de categorieën statisch en dynamisch, die in de eerste plaats voor de natuur en afgeleid voor het geestesleven gelden, zonder meer toepast niet slechts op het godsdienstige leven van den mensch, maar ook op God, in wien dit leven rust? Dit is een volstrekt ongeoorloofde overgang tot

3) H. T. Andrews, c s., o. c. p. 193 ff.

Sluiten