Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

realisatie van den verlossings-wil van God in de wereld, in een persoon en een leven, die op een bepaald punt aan de geschiedenis en zelfs aan de natuur hebben deelgenomen. De Kerk heeft het op hare, d. i. op voorzichtige wijze gedaan door te spreken van de mededeeling van de eigenschappen, die eene natuur aan de andere of de vereeniging van de eene natuur met de andere, en deze op te vatten als eene eenheid van genade. De theologie heeft ook de idee der enhypostasie ontwikkeld, in zooverre het mensch-zijn van Christus niet een zelfstandig en persoonlijks iets is gebleven, maar door de persoon van Christus wordt geleid, zoodat al wat menschelijk aan Hem is onvoorwaardelijk, als orgaan, de goddelijke leiding dient. Wij komen hierop nog terug. In elk geval wordt zoo ernst gemaakt met de paradoxale eenheid van het God-zijn en het mensch-zijn in de persoon van Christus en daarmede met de productieve, nader de creatieve, de scheppende leiding, die in deze eenheid bij God is, en de receptieve, de gewillige gehoorzaamheid van het mensch-zijn aan deze. Deze spanning wordt, als de incarnatie in haar volle waarde wordt geschat, als de unieke, verlossende daad van God, nooit verzwakt of ontveinsd. Integendeel, het geloof schept er behagen in haar ten volle te laten gelden. Hoe meer godheid, des te meer menschheid. Ook hier is het wonder het liefste kind van het geloof. Het is de paradox, hoezeer niet de paradox quand même. Het is niet geloofwaardig, omdat het onredelijk is. Het valt wèl buiten de grens der redelijkheid, omdat het zaak van geloof is.

Zoo heeft dan de critiek niet het laatste woord, tenzij dan de critiek des geloofs, die afwijst alles wat in deze stof van anderen huize is. Wij hebben gezien, dat psychologische motieven niet het laatste woord mogen hebben, omdat zij niet reiken tot waar de incarnatie ons brengen wil: tot een persoon, die aan een meer dan menschelijk, aan een goddelijk zijn deel heeft. Evenzoo heeft de philosophie niet te beslissen over de mogelijkheid van een persoonlijke verbinding van de sfeer der geschapenheid en die van den Eeuwige, van een bestaanswijze, die hier en nu in de sfeer van ruimte en tijd wordt geleefd, met een wijze van bestaan, die aan deze vormen niet onderworpen is. De laatste is voor haar gesloten. Hetzelfde geldt van andere bezwaren van wetenschappelijken aard. Het geldt ook van practische bezwaren, b.v. — als wij deze hieronder mogen rangschikken — van ethischen aard. In hoeverre het mogelijk is, dat een menschelijk bestaan zóó in dat van een

Sluiten