Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men heeft bij de toepassing van deze critiek tal van proeven genomen. De kenósis is zoo opgevat, dat het goddelijke in Christus öf volkomen non-actief blijft, óf als onbewuste grond het bewuste menschelijke leven van Christus draagt. Men heeft ook van eene voortschrijdende incarnatie gesproken, waarbij God zich hoe langer hoe meer in de wereld en in de menschheid openbaart en daarbij ten slotte één mensch zooveel maar mogelijk is ten volle van God is vervuld, als met Hem in wil en leven één. Beide figuren heeft men zonder groote moeite ook met elkaar verbonden. Men heeft gesproken van eene God-menschelijke persoonlijkheid of eene God-menschelijke natuur. Men heeft de eenheid van God en mensch uitsluitend in de eenheid van gezindheid en wil, z.g. ethisch, gezocht. Ik kan een en ander tot zekere hoogte begrijpen. Geestelijke, religieuze en zedelijke motieven lieten zich hierbij gelden. Wetenschappelijke, speciaal psychologische en wijsgeerige bezwaren werkten mede. Maar ik meen, dat men, hoe zeer psychologiseerend en ethiseerend, op deze wijze nooit uitkomt waar men zijn moet en altijd uitkomt waar men niet moet zijn. God en mensch zijn nu eenmaal van eene qualitatief verschillende orde. Alle gelijkenis tusschen God en mensch onderstelt eene wezenlijke ongelijkheid. Daarom kan ik Christus, als Zoon van God, nooit historisch of psychologisch verklaren. Elke studie over „das Selbstbewusstsein Jesu" — ik herinner mij dit van Baldensperger — acht ik van te voren mislukt. Van God-mensch spreken kan ik. Maar een Godmenschelijke natuur of persoon is voor mij een constructie, die inhoud heeft noch zin. Want wat God tot God en den mensch tot mensch maakt, d. i. de natuur van God en den mensch, zijn nu eenmaal ongelijkmatige grootheden. En Gods wil en 's menschen wil mogen overeenstemmen, ineenvloeiïng acht ik eene ongerijmdheid, zoo niet eene profanatie, omdat de wil van God scheppend en bevelend, die van den mensch geschapen en dienend is.

Daarom beroep ik mij van elke gereduceerde incarnatie op de volledige, die de incarnatie laat gelden als ,,het geheimenis der godsvrucht," waarvoor niet alleen onze taal geen woorden en ons verstand geen categorieën heeft, maar waarvoor wij zeiven, als menschen, met of zonder onze categorieën, staan als voor eene geloofs-werkelijkheid, die wij slechts kunnen aanbidden en eerbiedig tegen misverstand afgrenzen. Zoo heeft de Christus der Evangeliën zelf het uitgedrukt: „Niemand kent den Vader dan de Zoon en wien het de Zoon wil openbaren." Zoo heeft Paulus het verstaan,

Sluiten