is toegevoegd aan uw favorieten.

Toekomstbeelden uit vijf eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ecstatisch geschouwde, slechts door wonderbaarlijk ingrijpen uit het aan gene zijde mogelijke toekomstbeelden"1).

Dit beteekent natuurlijk geenszins, dat More niet door de Renaissance was gegrepen, maar dat hij tegelijk bleef, en blijven kon, krachtens de eigenaardige spanning, die hij in staat was zijn leven lang vol te houden, de geloovige R.-Katholiek. Daarbij vertoonde zich bij hem het niet ongewone verschijnsel, dat juist deze paradoxaliteit van geest hem leidde tot eene conservatieve houding. Wie alles precies in verband wil brengen, pleegt dan ook juist zoover te gaan als hij verantwoorden kan. Wie dit niet vermag en voortdurend balanceert tusschen twee tegenstellingen, is vanzelf geneigd op hun beurt elk van beide onverkort, in hun geheel, te handhaven. Halve en zelfs heele sceptici zijn soms uitermate conservatief. Men denke slechts aan Montaigne. Ik bedoel hiermede niet, dat More sceptisch was. Wèl dat hij voor allerlei opvattingen en houdingen tegelijk plaats had. De scherts was bij hem niet van de lucht, zelfs niet in de meest ernstige oogenblikken van zijn leven, b.v. in de gevangenis en op het schavot. Zijne vrienden plachten te zeggen, dat hij dikwijls, als hij iets ernstig meende, scheen te schertsen en als hij schertste hen deed denken, dat hij het ernstig meende. Ik weet niet, hoe dikwijls ik wel bij More de woorden ,,merry" en „merrily" heb ontmoet.

Dit beteekende niet, dat More niet ernstig was. Zoowel zijn leven, men denke slechts aan zijn houding ten opzichte van Hendrik VIII, als zijn dood getuigen er van. Maar hij was rijkelijk bedeeld met de gave der ironie. Men heeft hem van oudsher met Socrates vergeleken. Zijn jongste biograaf, R. W. Chambers, doet dit ook herhaaldelijk in zijn voortreffelijk boek. 2) More placht niet te kiezen, maar te deelen, tenzij als het om zijn geweten ging. Als het er op aan kwam was hij tot het uiterste bereid. Dit blijkt ook uit zijne houding ten opzichte van de Moederkerk, die hij om hare oudheid, breedheid en menschelijkheid zoo hoog stelde en aan welke hij daarom zoo veel kon vergeven. Te recht is opgemerkt: „More heeft niet geaarzeld als humanist zijne bezwaren tegen de Kerk uit te spreken, totdat hij zag, dat Rome dreigde ten val te komen en dat haar val de kostbare geestelijke traditie van eene maatschappij, die van bovenaf wordt geregeerd, zou

*) A. Doren, a. a. O., S. 183, vgl. N. 41).

2) R. W. Chambers, Thomas More. London (1935), p. 16—19, 158, 351, 385, 398—400.