Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, zijn liefde voor de gemeenschap, zijn goedheid, tevredenheid en matigheid zijn even zoovele vertroostingen voor eene indolente samenleving en hoe meer werkelijk en ongekunsteld zij zijn, des te meer houden zij elk ding in rust en vrede, en te meer zullen zij overal onrust en beweging zelfs voorkomen. Hetzelfde ongeveer kan gezegd worden van de gaven en de milddadigheid van den hemel en van alle gaven en weldaden der natuur. Dit is zeker, dat naar mate zij meer uitgebreid zijn en naar mate wij meer van ze hebben, wij meer onzen arbeid uitsparen. Maar de noodzakelijkheden, de ondeugden en de onvolmaaktheden van den mensch, tegelijk met de verscheidene ongunsten van de lucht en de andere elementen, bevatten in zich de zaden van alle kunsten, industrie en arbeid. Het zijn de uitersten van kilte en koude, de onbestendigheid en slechtheid van de seizoenen, de hevigheid en onzekerheid der winden, de ontzaglijke kracht en verraderlijkheid van het water, het geweld en de onbeheerschbaarheid van het vuur, en de weerspannigheid en de onvruchtbaarheid van de aarde, die onze vindingrijkheid in beweging brengen, hoe wij de rampen, die zij kunnen te weeg brengen öf mogen ontgaan öf de kwaadaardigheid ervan verbeteren en hunne verscheidene krachten tot ons voordeel wenden op duizend verschillende manieren; terwijl wij bezig zijn met te voorzien in de oneindige verscheidenheid van onze behoeften, die altijd weer zich zullen vermenigvuldigen, als onze kennis is vermeerderd en onze begeerten toenemen. Honger, dorst en naaktheid zijn de eerste tyrannen, die ons dwingen in beweging te komen; naderhand zijn trots, luiheid, zinnelijkheid en wispelturigheid de groote patroons, die alle kunsten en wetenschappen, handel, bedrijf en beroep in beweging brengen, terwijl de groote werkgevers noodzaak, hebzucht, naijver en eerzucht, elk in de klasse, die bij hem behoort, de leden der samenleving bij hun werk houden en maken, dat zij allen, de meesten van hen met opgewektheid, zich onderwerpen aan den zwaren arbeid van hun positie; koningen en prinsen niet uitgezonderd." ])

„Het is in de zedelijkheid al evenzoo als in de natuur; er is niets zoo volmaakt goed in de schepselen, dat het niet schadelijk kan zijn voor iemand anders in de gemeenschap, noch eenig ding zóó volstrekt kwaad, dat het niet kan blijken heilzaam te zijn voor een of ander deel der schepping. Zoodat de dingen alleen goed en

l) Mandeville, o c. Vol. I p. 365 f.

Sluiten