Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschreven, die natuur- en geestes-wetenschap in één verband tracht te brengen, die het leven van mensch en wereld als eene eenheid tracht te zien, als een proces van eindelooze ontwikkeling

en deze als vooruitgang.

Toch is het boek, hoe samengesteld ook, in den grond der zaak eenvoudig. Het is de eenvoud der oppervlakkigheid. Het geheele boek wordt beheerscht door slechts enkele onderstellingen en motieven. De beide voornaamste heb ik genoemd: eenheid en vooruitgang. Dit zijn voor Wells dogmen, grondstellingen, zooals de oude Stoa deze reeds kende, waarvan men uitgaat en waaraan men niet twijfelt. Dat alles èèn is, lichaam en ziel, natuur en geest, zijn en moeten, mensch en god, is voor Wells iets volstrekt ontwijfelbaars. En evenmin wordt getwijfeld aan den vooruitgang, die een opgang is van lager tot hooger leven, van weinig of geen tot volkomen geluk. In dit opzicht is Wells naief. Het is de naieviteit van velen, die tientallen van jaren heeft geheerscht, zoowel in de sfeer van de wetenschap als van het leven, en die op de toekomstbeelden zooveel licht heeft geworpen. Zoowel het idealisme als het materialisme heeft in de negentiende eeuw deze dogmen laten gelden en er mede gewerkt. Men denke slechts aan Hegel en aan Marx, aan de wijze, waarop zoowel het humanisme als het socialisme zich, elk op zijne wijze, de toekomst voorstelde. In zooverre is Wells de vertegenwoordiger van eene periode, die, ik zeg niet voorbij is, maar die bezig is het veld te ruimen voor eene geheel andere, minder optimistische en redelijke opvatting der wereldgeschiedenis, die rekent met het onredelijke in de wereld en den mensch, waarvoor de vraag naar de eenheid van het wereldproces eene open vraag is en die zich de mogelijkheid denkt van een veeleer catastrophale dan idyllische toekomst. Ik denk aan Spengler, den pendant van Wells in zijne toekomstverwachting, en aan de verschillende vormen van irrationeele wijsgeerige en religieuze wereldbeschouwingen, aan het „Lebenzum Tode" van Heidegger en aan de eschatologische instelling der dialectische theologie.

Bij Wells is hiervoor geen plaats. Zooals Troeltsch opmerkt, „das Naturgesetz des Fortschritts zu einen intellektuell-technischsozial-religiös idealen Gesellschaftszustand wird in seiner Begründung noch in seinem Inhalt erörtert, es ist selbstverstandlich. 1)

1) E. Troeltsch, Ges. Schriften, 31 Band, Der Historismus uns seine Probleme I. BuchTübingen 1922 S. 145.

Sluiten