is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandeling over het onvermogen der menschlyke krachten in zaken, het eeuwige leven betreffende.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i©4 Tweede Predicatie.

omverrè geworpen wordt. Het is openbaar, dar een dood menfch niet kan medewerken, noch helpen; indien de menfch hetgeringfte zoude medewerken, dan zoude hy nog eeni? leven in zich moeten hebben. Maar de Heilige Schrift getuigt in zeer veele plaatfen, dat de menfch m 't geheel dood is, wat de geeftlyke zaken en het leven aangaat. De menfch leeft wel nog na den val, lyf en ziel fcheiden nog met van malkander. De ziel draagt nog het lichaam, en heeft haare natuurlyke werking; zy zet, hoort, voelt, heeft haar verftand en wille: Maar, dat is flegts een natuurlyk en verganglyk leven , het geeftlyke in God, t geene eeuwig had kunnen duuren, dat heeft de menfch door de zonde verlooren , en is voor als nu dood in de zonde. Daarom fpreekt Paulus tot de Ephes. Cap. 2. Maar God, die ryk is m barmhartigheid, door zyne groote liefde, daar mede by ons liefgehad beeft. Ook toen wy doodwaren , in misdaden heeft ons levendig gemaakt met Chriftus. EntotdeColl. 2. in welken gy ook met hem opgewekt zyt, door bet geloove, der werkinge Gods, die hem uit den dooden opgewekt heeft, ende by beeft a, als gy dood vaart in de misdaden, en in de voofhuid uwes vleefcbes, mede levendig gemaakt, met bcm alle uwe misdaden u vergeev tideHet is buiten twyfel, of de Apoftel Paulus heeft ' in deeze fpreuken gezien op het getuigenis Gen. 2.; ten dage als gy eet van den Boom der kenmsfe des goeds en des kwaads, zult gy den dood [ter. ven. Niet alleen Adams lighaam zoude in de

aarde