Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vierde Predicatie. 225

Onder deeze behooren mede lieve Prsceptoresi Daarom zeggen wy, dat ook de Heer Philippus het Hoofdftuk van 't onvermogen der menfchlyke krachten niet recht begreepen heeft, 't Is waar, in de eerfie plaatfen en Commentarien heeft hy, omtrent het leerftuk van't onvermogen der menfchlyke krachten, met Lutherus van eene en dezelde gedachte geweeft; maar daarna heeft hy zyne meening veranderd , en is Eramus toegevallen; zo als in de laatste plaatfen de libero arbitrio, in expofitione Symboli Nica* ni, in Examine Tbeologico, opentlyk te zien is. Want Philippus dringt hard daarop aan: Quod fint tres caufjas concurrentes in converjione hominis ad Deum. Dat is, Dat in de hekeerir.g des menfchen drie oorzaaken te zamen komen: De Heilige Geeft, die het hart en den wille beweegt, om Gods woord aan te neemen; het woord der genade , waar in ons om Chriftus wille vergeving der zonden toegezegd word; en des menfchen wille, die het woord aanneemt. Philips pus zegt ook: Voluntas non ejt otiofa, fed agit aliquid; voluntas non habet fe pure pajjiv;, fed aliquomodo aclive. Dat is: De wille in de bekeering des menfchen is niet ledig, maar doet iets: de wille lydt niet alleen, maar doet iets; de wille lydt niet alleen, maar werkt ook iets, verftaat in zyne bekeering. Philippus keurt mede goed de fpreuken van Bafilius: Tantum velis & Deus pracurrit* Dat is: Wilt maar, zo zal God u tegen hoornen: En van Chryfoftomus : Trahit Deus , fed volentem. Dat is: God trekt wel, maar dien, die daar wik P Wel-

Sluiten