Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

% c 23 ) «jé*

alles in de waereld, en dus ook het licht, eene oorzaak hebben moest; eene Zon was derhalven noodzakelijk , en , gelijk ieder noodzakelijk ding, werkelijk. Zij betoogden, dat de moeskruiden en de boomvrugten zonder de Zon niet rijp konden worden ; en dit had zeker veele waarfchijnlijkheid , dewijl het nog aan geenen dier eerfte Philofophen gelukt was, wijndruiven door fakkellicht rijp te maken. Zij toonden aan , dat de Zon, als het ideaal der lichtvolmaaktheid, noodzakelijk ook een beftaan moest hebben, dewijl het beftaau eene hoofdvolmaaktheid is. Het was bij hen volkomen uitgemaakt, hoe de Zon zijn en niet zijn, hoe zij fchijnen en niet fchijnen moest; uitgemaakt , dat men haar onbewegelijk aan den Hemel zag, dat het eene wezenlijke eigenfchap van hare natuur en voortreffelijkheid ware , van geen oog gezien, en van geene zenuw gevoeld te worden. ,, Wat „ de holbewooners hebben, dat is de hoogfte graad van genot; wat wij philofophen leeren, „ dat is de hoogfte graad van wijsheid." Door dit oogmerk hunner philofophie zogten zij, uit loutere menfchenliefde, hunne medebroeders tè gewennen aan onderaardfche lucht, en lampenlicht , en de dweepsgtige verlangens naar frisfche lucht en Zonnelicht in hun te doden. Zij hadden hun oogmerk ook al redelijk wel bereikt, toen er een ander philofoof tevoorfchijn trad, die met eene geweldige kragt het gebouw hunIj 4. ner

Sluiten