Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE BRIEF. 21

üc denzelven verdiende. Mijn hart was ondraagelijk trotsch. Roem en toejuiching van menil-hen, fcheenen mij boven alles begcerelijk, en ik had vastlijk beflooten, geen moeite te ontzien • om die te verkrijgen.

Dit jaar ten einde loopende, kwam ik, zoo ik meende, tot een onherroepelijk befluit, om van de Godgeleerdheid aftezien. Niets, docht mij, zou ooit in ftaat zijn, om mij dit voornemen te doen veranderen. Ik konde nogthans mijne Ouders niet beweegen, om hun oogmerk ten mijnen opzichte te laaten vaaren, en mijne wenfehen te begunstigen. Beloften tevens cn bedreigingen werden te werk gefield, en niets onbeproefd gelaaten, om mij tot andere gedachten te brengen. Ik moest dan eindelijk zwichten , en belloot, hoewel met weêrzin, hun genoegen te geeven. Ach! hoe ongelukkig ware het voor mij geweest, indien God mijne begeerte gegecven, en de harten mijner Ouderen geneigd hadde om mij intevolgen! Dan zoude ik mij zeer zeker beroofd hebben van de eer en de vreugd, van het Evangelij te moogen verkondigen; het welk ik thands oneindig verkiezelijker dan alle andere dingen fchat. Dus leidde God mij, blinden als ik was, op eenen weg dien ik niet geweeten hadde.

B 3 Ten

Sluiten