Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 TWEEDE BRIEF.

ter kerk; en wanneer ik er ging, was ik geheel onaandachtig, zittende daar als een bloot aanfchouwer, en als of er flegts van beuzelingen gefprooken wierd. Mijne overdenkingen aldaar , waren ijdel en zondig ; en dikwijls had ik geen geduld, om te vertoeven totdat de leerrede geëindigd was. Tot zulk eene hoogte fteeg mijne godloosheid, dat ik het eene eer rekende, en er roem op droeg bij mijne vrienden, dat ik zeer zelden in de godsdienstige Vergadering verlcheen. Ik zou mij gelchaamd hebben, -aldaar dikwijls gezien te zijn, of, aldaar zijnde, gezien te wcezen met eenen Bijbel of ander godsdienstig boek in de hand. Dan er was niet veel reden, om voor het eene of voor het andere bezorgd te zijn. Van den Bijbel maakte ik geen gebruik, dan om dien te beftrijden, of welligt, in den loop mijner ftudijen, denzelven ■fomtijds intezien. Veel min had ik lust, om den inhoud van andere boeken, over de beoefenende Godgeleerdheid handelende, natefpooren. Ik had derhalven geenen fchijn zelfs van godsdienstigheid; en hoewel ik, uitwendig, den lof van zefef befcheiden en beleefd te zijn fcheen te verdienen, koesterde ik in mijn hart allerlei boosheid cn zonden , welken ik niet zelden in het :-' iiulijke den teugel vierde. Steeds bleef ik ge:<$*t aan de zonden' die ik boven vermeld heb-

be;

Sluiten