is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der Israēlieten voor de tyden van Jesus.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ISRAËLIETEN. 401 den Libanon. — Ephraïm! wat heb ik ,, verder met de Afgoden te doen? Ik heb „ u wel geftraft, maar zal nu in genade op 5, u zien. Ik ben gelyk een groenende „ denneboom; zoek aan my uwe vrugtl — 5, Wie is wys en bevat het? wie is verftandig en erkent het ? De wegen des Heeren „ zyn goed; de vroomen bewandelen dezelve, maar de zondaaren fïruikelen 'er op.'*

ïjs ïfc $

By alles, wat de Profeet zynen tydgemo* ten dreigt, laat hy de natie egter altoos grond van hoop over. Men moet, by alle de Profeeten, onderfcheid maaken tusfehen de „ tydgenooten," dien iets verweeten of gedreigd wordt, en de ,, natie zelve," die het hoofdvoorwerp is. Dit ,,■ altoos in weezen blyvend Israël" (een by opvolging duurzaam geheel) blyft zelfs dan nog het oogelyn en de lieveling der Godheid, wanneer aan de afzonderlyke opeenvolgende geflagten het ergfte gedreigd wordt. In zo verre nu de tegenwoordige geflagtreeks mede een gedeelte van het geheel uitmaakte s of liever, niettegenftaande al de bedorvenheid der tyden, altoos nog een overblyffel van waare Israëlieten in zig bevatte, was het zelf ook nog „ de lieveling" —,, het voedftervolk," van Israëls God; — dog dit belette egter niet, dat hun dikwyls de fcherpfbc verwytingen toegedrceven werden , waarmede dan toch de teder'fte uitdrukkingen konde gepaard gaan, wier voorwerp j

KONINGES:

van Juda en Israël. V. Boek. I.

Hoofdst.)

Noodmakc-lyk op te merken onderfcheidtusfehen de tydgenooten der Profeeten, en de natie als naye.