Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regenten van Juda. VIII. Boek. iii.

jfcfOQFDST.

504 GESCHIEDENIS des. Samaritaanen, gedeeltelyk hunne onwillig, heid, om de overige boeken van den Jöodfchen Kanon voor Godlyk te erkennen, gedeeltelyk hunne verkleefdheid aan den tempel op den Garizim, en, na deszelfs verwoesting , aan den berg zei ven , waarop deeze tempel geftaan had, die, volgens hun inzien, nog de eenigfle waare zetel van den Godlyken eerdienst was; dog vaii den kant der Jooden eene onuitroeibaare afkeer, welks bronnen wy uit het voorige gedeelte deezer gefchiedenis kennen. (Waren de Jooden minder onverdraagzaam geweest, de Samaritaanen zouden, naar alle waarfchynlykheid, reeds lang voorhenen genegen geweest zyn, om hunnen Godsdienst op den Garizim tegen dien van Jerufalem te verwisfelen; naardien zy, gelyk bekend is, na der Jooden wederkomst uit Babyion, aanboden , om den nieuwen tempel gemcenfchaplyk met hun te bouwen.) Sedert dat Hyrkanus I. den tempel op den Garizim verwoest had , was de haat van wederzydeii nog heviger geworden. Inzonderheid moest het den Samaritaanen fmertelyk vallen, dat zy van het Priesterlyke huis der Asfamoneërs overheerscht werden; want dus waren zy onderdaanen vart lieden , van welken zy, om den Godsdienst, de onbillykfte behandeling te verwagten hadden. Toen naderhand Paleftina onder de Opperheerfchappy der Romeinen kwam , hadden zy zekerlyk van der Jooden onverdraagzaam, heid veel minder te lyden. Herodes was, i| is waar, zo wel Koning over Sarparja,

'als

Sluiten