is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandeling over het zien.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9| VERHANDELING.

licht flaat, zal hij, aan het vengfter gekomen zijnde § met het aangezicht naar het licht, met gemak en duidlijk kunnen leezen. — Iemand die lange jaaren een' bril gebruikt heeft, zal in ftaat zijn om in den zonnefchijn zonder bril te leezen*

Wanneer wij langen tijd in eene zeer verlichte plaats geweest zijn, of het oog lang aan fchitterende voorwerpen is blootgefteld geweest, en wij dan voorwerpen onder het oog krijgen , die niet zo verlicht zijn, of naar eene donkerer plaats gaan, dan zullen ook onze oogen voor eenen kleinen tijd bedorven zijn, en onbekwaam om hunnen dienst te verrichten. — Het zelve zal ook onder tegengeftelde omftandigheeden gebeuren, als wij uit een flaauw licht in een fterker overgaan. — In beide gevallen heeft het oog geen tijd, om zijne gefteldheid zo fpoedig te veranderen, bet geen evenwel noodzaaklijk is, om duidlijk onder die nieuwe omftandigheeden te zien. — Hier uit kunnen wij befluiten dat ondoorfchijnende lichtfehermen om de kaarsfen, in plaats van de oogen te befchermen, en te bewaaren , noodzaaklijk zeer nadeelig voor dezelve zijn moeten»

Daar heeft eene foort van meegevoeligheid, of overëenftemming plaats, in de beweeging der oogappels van beide de oogen, zo dat de ééne zamengetrokken zijnde, de andere zich ook zamentrekke; de ééne zich verwijdende, verwijdt zich ook de andere, zonder dat echter, of de verwijding, of de zamen-

trek*