Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van CELIDE.

149

Vriendin wreeken, voegden by 'er by, zich tot zyn Zuster keerende: alfchoon gy met haar tegen uwen Broeder zaamenipand; ja; ik zal my by de Graaf de Bricour vervoegen om de hand van zyne Dochter te verwerven; myn' rykdom, de achting en vriendfchap die hy voor my heeft, doen my denken dat hem myne vermaagfchapping aangenaam zal zyn. Zy zal my haaten, zegt gy; dan wat kan my zulks fcheelen; zy kan my niet meer haaten dan tegenwoordig! en haar bezittende, zal ik my hier in vertroosten. En aangaande haar' Minnaar, ik heb moeds genoeg, hoe groot den geene ook is die men hem toekend, om hem te beletten haar

ooit weder, te zien; en ik ga terftond —

ö myn'Broeder, riep Mejufvrouw! de Blemigni uit, hem weerhoudende, wanneer hy op het punt ftont om haar te ontvluchten: blyf! Wat hoor ik! ö hemel! kan ik myne ooren gelooven? Zyt gy het, myn' Broeder, zyt gy het die fpreekt! Ach! indien Mejufvrouw de Bricour u hoorden, wat zou zy zeggen? hoe! vormd gy het wreedaartig ontwerp, haar, tot haar ongel uk te huwen ? gy wilt het leven aan hem die haar zo dierbaar is beneemen? is dit rechtK 3 vaar-

Sluiten