Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sa MANNEN EEDEN

„ ons opregt zijn als de dénhoorn, rein als goud". Alle Ridders knikten hem welgevallen toe.

„Verwijdert u, knapen fprak Johan verder.

De jongens gingen weg. Leonhart bleef. Zijn vader wenkte naar de deur , daar drong Leonhart op mij aan , en zeide : „ zoo kom dan vader Wolf„ brand" en toen ik hem antwoorder „ ik blijf" trok hij zijne wenkbrauwen verdrietig te famen , zag dan op zijn zwaard , dan op mijne pij , en zeide : „ Zoo diep als het zwaard van Wolf brand „ fteekt, zal ook het mijne doordringen." 'Er ontftond een vrolijk gemurmel onder de Ridders. Johan wierd toornig op zijne jongen, en wilde hem uitdrijven. De andere hielden hem te rug, en baden hem , om den knaap mede in bet verbond te nemen. De oude weigerde dit, de jongen fprak eemigflnts bedeest: „Hoe, Ridders, een jongen onder „ mannen?" daar reikte hem Graaf Otto van Wertheim de hand , en zeide : „Jongen, gij hebt den „ moed cn de deugd eenes mans', kom in der man„ nen kring." „ Ik kom " zeide de mpedige jongen, ging voort in den kring, knielde neder, trok zijn zwaard , en hieldt het met beide handen naaiden hemel. „ God hoore het !" • zoo fprak

hij mannelijk en edel , — „ verneemt het mannen, verdedigt duitfche deugd en edele zeden ! vloek treffe mij , wanneer ik afwijk van het pad der

deugd , vloek van den wreeker boven de fierren !

en treft mij deze vloek niet aanfronds , zoo fchuif ik hem op dien, die mij kent voor eenen fchurk, en

mij

Sluiten