is toegevoegd aan uw favorieten.

Overleveringen der voorige eeuwen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

io4 MANNEN EEDËN

lu d e r. Broeder! Het overdrevene in den

aanklacht wederlegt reeds zich zeiven. leonh. (Als in verbijstering). Stil o God!

oordeel mij thans. Heer! ben ik ftraf.

baar, waarom verfchoontgij mij?Dood mij, en laat nooit de blik uwer genade mij aanlachgen , wie zijt gij?wanneer gij zulk eenen geesfel der mensch. hcid op de aarde duldet.

l ud e r: Maatig u, lieve Leonhart! de dood zij hem gezwooren ,• die deze lastering gelooft.

leonh. (herfiat zig.) Vergeef; Vader ! aan uw zwak kind, dat hij zig vergat. Gij laagt hem dog zelfs de vonken van dit vuur in zijnen boezem. (woest)Lant een Heraut komen, Luder fchielijk! Hij zal dezen brief van buiten leeren, het hof des Keizers luid herhaalen , en dan w'il ik ieder mensch tot getuigen invorderen. Ik voorvlugtig. Ik, een geefel der weduwen en weezen. Ik een giftig gezwel aan het lighaam der Ridder-" fchap? (Hijgend) Dat ik duizend ftemmen had, om dezen vervloekten, valfchen fchrijver voor Gods

gezicht te roepen! ik een bloedegel ? — een

meisjesroover? Een verleider der nonnen? He-

melfche Vader, had ik flegts eenen droppel uit den beker van uwe alWeetenheid, opdat ik dit monfler ontdekke! elke lastering wil ik hem zoo bloedig op zijn lighaam tekenen, dat de lidtekens daarop niet ligt verwasten zullen , al leefde hij duizend jaaren. Ik een maagdenfchenner! Ik! Ik! ach! (Hij fgat zijn hoofd mat nederzinken) de dolk heeft de'

ze-*