Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

238 DE MOLENAAR van

te, die ook zo gaarne met het jawoord talmen?— Bemint gij mij niet meer? phil. Neen!

math. Neen! Ach! Ach ! en wat meisje dan ? phil. Mathilde van Aarhorst de reine, niet de van Monniken gefchondene! math. Wee, wee, over den Abt! phil. God! Zo is het dan geen bloot vermoeden eens ijverzuchtigen? — Wanneer de zachtmoedigheid wee over een mensch uitroept, moet hij de menfchelijkheid verloochend hebben — En gij Mathilde — gij zijt — wat ik nier durf ^

fpreeken -?

math. Neen, braave Ridder, de engel der onfchuld ft.nd mij bij, ik ben rein en vlekkeloos gebleeven. Ik floeg mijnen gordel om mijnen hals, en dreigde mij te verworgen, indien zijne hand mij ontheiligde. phil. ó, Hebt gij het uitgehouden? math. Dat heb ik, edele man! phil. Nu dan verkwik ik mij weder in de zonnewarmte des geluks; het wordt weder helder om mij heen in deeze dichte duisternis. Alzo de mijne, rein en onfchuldig!

math. En nu voor eeuwig indien mijne

Vader zijne toeRemming geeft; gij brengt mij toch bü hem?

phil. Bijeen kluizenaar, waarde, den broeder van den goeden Pater Jofeph, en van daar na onzen Vader.

m a t ij.

Sluiten