is toegevoegd aan uw favorieten.

Romeinsche geschiedenissen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

224

ROMEINS CHE

V. BOES

IV.

hoofdst.

J. voor C 103. ■ J. van R 649 Uiteinde van jügüR'

THA.

met ontzettenden indruk , en deed allen eenflemmig uitroepen: „ 'er zijn Goden die het misdrijf wreeken , wier welverdiende ftraf geene menfchelijke magt ontvluchten kan! " Hij zelf , wien anders nederlagen noch gevaaren ontmoedigden, die in het heetfie van den ftrijd zijn keven onverfchrokken waagde, wiens geest onuitputlijk in list en onderneemzucht fcheen, was thands geheel verflagen en ging wezenloos daar heenen, tot dat de fchriklijkfte behandeling , na deze plegtigheid, hem bij het naderen zijner gevangenis tot het ijslijkst zelfgevoel terugbragt. Zommigen fcheurden hem de koningrijke kleederen van het ligchaam, anderen rukten hem de oorringen met de oorlellen zelve af: daarna wierp men hem fchier naakt en deerlijk geteisterd in het diepfte kerkerhol, het welk twaalf voeten diep onder den grond was. „ Hoe ijskoud is uw bad!" zou hij, bij zijne nederftorting in dit hol , hebben uïtgefchreeuwd, waarin hij zes dagen lang den honger en het akeligst lot tot in het jongfte oogenblik beftreed met eene liefde voor het leeven , die zoo verachtlijk in

der