Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aio VIJFTIENDE BRIEF.

men niet te gisfen, wat A. door ware bondelingen verftaat. — ö

Nu tot uwe woorden. - Gij befchrijft verbondelingen hier als zulke die aan God en God aan hun badel ij k verbonden zijn. —— Zijn dat verbondelin-

gen ? — Dan zijn alle menfchen verbondelingen.

De Jooden bij voorbeeld zijn nog aan God verbonden en God aan hen — al ware die band alleen de natuurlij.

ke betrekking tusfchen Schepper en fchepfel. (*_)

Met zulke befchrijving ligt mijn ftelfel in duigen: maar wij hebben reeds afgehandeld, dat dit geen bondeling is: maar zulk een, wien een beding wordt voorgefteld, V welk hij op zich neemt. — Uwe geheele fterkte van al uw gefchrijf, Mijnheer! is dit, dat Gij u van onderfcheidene definities bedient, en dan maakt Gij uwen Leezeren nog wijs, dat A. zeer ten onrechte daar over Ipreekt! —

Een lieve glos maakt Gij ook over het woord ware. „ Waare menfchen zijn zulke die waarlijk men„ fchen zijn, zonder daar door te bepalen, of zij zijn „ waarheidsprekende dan onwaarheidfprekende". Hoe komt dat te pas ? Kwam het ooit iemand in \ hoofd wanneer Hij van waare menfchen fprak aan waarheidfpreekende menfchen te denken ? — Of is het uwe blindheid die u hier van waarheidfpreskende menfchen doet gewaagen? Ziet dat op A. ftelling, „ dat zij alleenbon-

delingen zijn , die oprecht ("in waarheid) het ver.

bond inftemmen" ? — Maar lieve Man! Waarfcheelt hetu? — Als men van een waar mensch fpreekt is waarheidjpreekend geen fynonymum. Maar als men van een waar bondeling fpreekt is waarheidjpreekend een fynonymum. Want een waarbondcling wordt men door

in

(f) De Heidenen zijn ook aan God verbonden.

Sluiten