Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over het Formulier. 27

niet anders wilde zeggen, dan dat die ftellingen niet van woort tot woortuithetBoek van Janfenius getrokken waren; want dat ze bekenden , dat zy in dat Boek gevonden wierden , 'r zy in woorden, 't zy in kracht, of zin van woorden, zulks kan noit gelochent worden, zo men niet alle die Schriften eerst verbrant, die van de voorftanders van Janfenius voor de doeming gefchreven zyn.

Verder, dat zy zeiden, dat niemant die Hellingen geleert hadde, dat zy duister, dat zy dubbelzinnig waren, fchynt wederom een uitvlucht, dewyl het volftrekt bljkt, dat zy die zelve ftellingen niet duister, noch dubbelzinnig geleert hebben , dat zy ftaande gehouden hebben, by voorbeelt: dat men de eerfte der vyf ftellingen niet kanverwerpen, zonder 't enderjte boven te keren het geheel Gebouw van de Genade van Jezus Christus, en dat zy volkomentlyk, duidelyk, en onverwinnelyk wort bewezen in het Boek van Janfenius; en wegens de twede, dat het Hert van den Mensch, hoe verhart hy ook wezen mag, noit weerjiaat aan de inwendige Genade van Jezus Chrisus &c. maar wie zal zeggen , dat ftellingen duister, of dubbelzinnig, of van niemant geleert worden, die zo duidelyk gevonden worden by hunne Schryvers ?

Wie zal in tegendeel niet moeten zeggen, dat zy onder zulke voorwentzels de gedoemde dwalingen wilden verdedigen? Want wat waren eindelyk de redenen, die zy voorgaven , om dat vonnis niet aan te nemen? te weten: om dat die zaak het geloof niet aangaat, en de Paus, noch de gehele Kerke niet onfeilbaar * is in zulke bezondere daden , om dat men in

zulke

Sluiten