Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

Bijbel-gefchledenis

ftaat, ccn wezenlijk kwaad geweest zijn: om deze reden wilde God niet, dat hij thans van den le* vensboom zou eten, om altijd te leven; maar deedt hem uit het Paradijs verhuizen. Een vreeslijk onweder, van blikfem en donder, waarfchijnlijk vcrzeld van eene aardbeving, en uitberfting van onderaardfehe vuuren, maakten het Paradijs onbewoonbaar en' ontoeganglijk. Ten westen van de Kaspifche zee, waarfchijnlijk de landftreek, waar het Paradijs gelegen heeft, zijn nog bronnen van Naftha, Aardharst, of Joodenlijm , en geduurig herhaalde vlammen fchieten, aanhoudend, uit den grond hervoort. Deze ontzaglijke natuurverfchijnzelen

dreven Adam en Eva uit het Paradijs, öm zich elders, hoewel waarfchijnlijk, niet verre van daar, nedei- te zetten. De oude ooirkonde bij Moses heeft dit dus uitgedrukt (*).: „ God dreef den „ mensch uit, en plaatftc, aan de oostzijde van den „ hof van Eden, Cherubs, en vlammen, in de ge„ daantc van een zwaard, zich heen en weder be„'wegende, om den toegang tot den levensboom ,., te bewaaren."

„ Op deze wijze," zegt een Apostel (f), „ is „ de zonde door éénen mensch in de wereld geko„ men, en door de zonde de dood; op deze wij,, ze , is de dood tot alle menfchen doorgedron„ gen, nademaal zij allen gezondigd hebben."

(*) Genefis III. 24. (f) Romeinen V. 12.

S- 5-

Sluiten