is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijbel-geschiedenis.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vierde Tijdperk. Jaar 2509—2989. 211.

Naauw, echter, waren de Israêliten de woestijn ingetreden, of derzelver akeligheid maakte hen moedeloos. Zij morden over hun lot, en toonden,

dien edelen geest van vrijheid te misfen, die alleen, tot het uitvoeren van koene ondernemingen, gefchikt is. Hun morrend wantrouwen mishaagde aan God, die een blijk van zijn ongenoegen gaf, door blikfemvuur, hetwelk de uiterlte tenten van het leger aandak, cn eene algemeene vernieling dreigende, echter fpoedig, op 's volks verootmoediging en Moses voorbede, gebluscht werdt. De plaats kreeg, naar dit geval den naam Tabeëra (brand') (*)..

Drie dagen hunnen togt hebbende voortgezet, hielden zij rustdag, in eene plaats, Kibroth Taava (graven der lusten,) genoemd, om de volgende reden.

Het volk, bijzonder het gemcene volkjcn, en de gemengde hoop, die hen gevolgd was uit Egypte, toonde eenen walg aan het Manna, cn verheifende hunne levenswijze in Egypte, daar zij verfcheidenheid van fpijze, en ook vleesch , hadden, het welk, in deze woestijnen, ontbrak, zetten zij ook de overige Israêliten tot klagten en muiten aan, het welk zoo algemeen werdt, dat Moses mismoedig werdt, om een, zoo flaafsch gezind, volk langer te geleiden cn te bcduuren. Hij werdt, echter, dooide Godfpraak, bemoedigd, ën hem eene belofte gedaan, dat het volk, voor eene geheele maand, van vleesch voorzien zou worden , terwijl hem, opdat zijn moeilijke last eenigzins zou verligt worden, een buitengewone Raad van 70 Oudften, of aan* . zien-

(*) Num. XI. 1-3.