Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE V R IJ H E I D.

TPoen de aarde was gezoldert op zijne vesten; toen de afgronden in hunne hooien gekerkerd, en de natuur met alle haare voorbrengfelen gefchapen waren 1 —— eischte de wonderdoende God, dat er zekere verhevene fchepzelen, in den allervolmaaklten Hand zouden gewrogt worden; deeze fchepfelen, hoe zeer van hunnen eerden Hand , naderhand ontaart, bleeven echter de evenbeelden der Godheid, voor zoo veel de eigenfchappen van den Alregeerder aan hun zijn meedegedeeld, en 't is uit dien hoofde niet alleen maar ook uit hoofde der betrekking tusfehen God en den mensch, dat wij vrij en onafhanglijk gebooren zijn.

Deeze natuurlijke vrijheid, die in de eenvoudigheid der eerfte tijden, zoo agtbaar en verheeven was, moest den mensch aanleiding geeven , om zijn geluk te bewerken, het welk hij, zijné klndschheid ontwasfehen , bij de voortplanting van zijn geflagt, begreep, daarin ce K 3 1*-

Sluiten