Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. aj

MARIANNE.

Vergeving aan de vrouw, voor de zwakheid van haare kindfche jaaren.

DE MOEDER. Laat eerst hooren, in hoe ver gij ftrafbaar zijt, en of ik u mijne achting niet moet onttrekken.

marianne.

Neen, moeder! die ben ik nog altijd waardig. Adolf Was dagelijks bij ons. Gij weet zelf, met hoe veel eendracht, en kinderlijke tederheid wij fpeelden, en dikwerf betreurde hij, dat ik zijne zuster niet was. Dit kwaad is ligt te verhelpen, zeide ik hein eens, als hij met levensgevaar mijn klein hondjen, dat ik reeds voor verlooren hield, uit het water haalde. Adolf zeide ik, ,, ik ben nu uwe zuster, en gij zijt mijn broeder " Onbefchrijfelijk was zijne vreugde; maar wij be(looien het niet aan u, noch aan zijn' leermeester te zeggen; "Waarom ? Kan ik mij nauwlijks thands verklaaren. Hij moest kort hier na met zijn leermeester naar stok. Ho lm vertrekken. Als kind verliet hij mij met traanen, als jongeling keerde hij vrolijker terug. Plechtig fprak hij nu van liefde, ik hoorde het gaarn, en zwoer hem eeuwige trouw. Maar, lieve moeder, nu weet ik eerst wat liefde is; ik beminde hem niet. — Het was een eigen, een kinderlijk gevoel, maar liefde was het niet.

de moeder.

Verder, marianne!

mariannne.

Zijn vader riep hem kort hierop, naar doitschland bij de armêe, en hij bad mij hem te fchrijven. Hij was zeer bedroefd, ia bijnawanhoopend. IkgevoelBj de

Sluiten