Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i

32 DE VRIENDEN»

marianne.

God! de lippen verdommen, die mij vergeeven moeiten.

erich, (koel.) Zij verdommen, (hij ziet haar aan, en wendzijn' oog naar haart moeder.

de moeder.

Dit oog vol verwijt, treft mij niet — zij verzweeg het ook aan mij. wilde God dat zij eeuwig dom ge^ bleeven ware!

erich.

Wilde God! (hij werpt zich verfchrikt in eenjloel) De brief! Indien hij leefde! Adolf! Ik heb u berooft, verraaden.

marianne, (nadert hem.)

Èrich!

erich.

Ontwijk mij thands. Ik weet nu dat gij — laat mij. Gij zijt mij niet meer welkom, (terwijl hij fpoedig heen gaat) ik vreeze hem — en mij zelf.

marianne, (wil hem volgen.) de moeder. Blijf! Bied aan zijne fmart 5 en grimmigheid het hoofd niet. Uw lijden, treft hem thands niet. (zij volgt hem.)

marianne. Mijn lijden treft hem thands niet! (zij valt op een Roel) 6 Hemel! Wanneer gij eene zwakheid, zofchtikkelijk draft, wat blijft u dan voor de misdaad overig?

Einde van het eerjle bedrijf.

TWEE-

Sluiten